Elisavet Pasidi & Kirsten Visser

Denk terug aan je kindertijd … klom je wel eens in bomen, rende of fietste je heel hard, bouwde je hutten met stokken, of verkende je onbekende gebieden? Als dat zo is, dan heb je ook aan ‘risicovol spelen’ gedaan!
Risicovol spelen verwijst naar alle spannende en uitdagende vormen van spelen waarbij kinderen (leeftijdsgebonden) risico’s nemen met de mogelijkheid van lichamelijk letsel. Een onderzoeker uit Noorwegen, Ellen Sandseter, observeerde kleuters tijdens hun vrije buitenspel en kwam tot zes categorieën van risicovol spelen: (1) spelen met grote hoogtes, (2) spelen met hoge snelheid, (3) spelen met gevaarlijke voorwerpen, (4) spelen met natuurlijke elementen, (5) ruw spelen en (6) spelen waarbij kinderen kunnen ‘verdwijnen’. De term is vrij nieuw in de literatuur (sinds 2007), terwijl risicovol spelen zo oud is als de kindertijd zelf. Maar of kinderen daadwerkelijk aan risicovol spelen doen, hangt echter af van plaatselijke mogelijkheden – en die mogelijkheden zijn de afgelopen decennia sterk afgenomen.
Daar zijn veel redenen voor: verstedelijking, druk verkeer, minder speelplekken, de aantrekkingskracht van schermen, maar ook overbezorgde ouders en stedelijke planners. Onderzoek toont echter consequent aan dat risicovol spelen tal van voordelen heeft voor de ontwikkeling van kinderen, waaronder lichaamsbeweging, probleemoplossend vermogen, risicocompetenties, veerkracht en creativiteit. De afname ervan kan dus veel negatieve gevolgen hebben voor de lichamelijke en mentale gezondheid van kinderen. Dit onderstreept het belang van het vergroten van de mogelijkheden voor kinderen om risicovol te spelen.
Tot nu toe zijn de meeste studies over risicovol spelen voornamelijk uitgevoerd in gereguleerde omgevingen (zoals scholen en kinderdagverblijven), in specifieke landen (voornamelijk in Noord-Europa, zoals Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk), en gericht op het perspectief van volwassenen (zoals de houding en overtuigingen van ouders en leerkrachten). In dit artikel belichten we de invloed van de buurtomgeving op risicovol spelen vanuit het perspectief van kinderen zelf. Op basis van recent veldwerk in Thessaloniki, Griekenland (mei-juni 2025) laten we zien hoe percepties van risico kunnen variëren per ruimtelijke context. Uit de ervaringen en het speelgedrag van kinderen in een stedelijk en een voorstedelijk gebied blijkt dat risicovol spelen een situationeel en relationeel begrip is, dat vorm krijgt door lokale sociaal-ruimtelijke contexten.
“De stad is niet gemaakt voor kinderen, en kinderen zijn niet gemaakt voor deze stad.“
Veldwerklocatie
Thessaloniki is een interessante context om te onderzoeken hoe risicovol spelen in buurten in Zuid-Europa plaatsvindt. Als tweede stad van Griekenland is Thessaloniki groot genoeg om diverse soorten buurten te omvatten – van historische stadscentra tot nieuwere voorsteden –, maar toch compact genoeg om een sterk gevoel van lokale gemeenschap te behouden. Hoewel het grotere stedelijke gebied meer dan een miljoen inwoners telt, groeien de meeste kinderen op in de dichtbevolkte stedelijke kern (ongeveer 803.000 inwoners). Door deze dichtheid is er bijna geen ruimte voor open en groene ruimtes: slechts ongeveer 2,6 m² groen per inwoner, ver onder de 9 m² per persoon die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbeveelt. Hoewel er aan de randen enkele natuurgebieden zijn, zoals het peri-urbane bos Seih Sou en de 7 km lange kustlijn, zijn deze niet gemakkelijk bereikbaar vanuit alle woonwijken. Bovendien zijn de straten en openbare ruimtes van de stad grotendeels gericht op gebruik door volwassenen en niet op het vrije spel van kinderen.
Om te onderzoeken hoe de wijk het risicovolle spel van kinderen beïnvloedt, hebben we ons gericht op twee contrasterende wijken: de stedelijke wijk Evosmos (dicht bij het stadscentrum) en de voorstedelijke wijk Pefka (aan de rand van de stad). Beide wijken zijn geselecteerd vanwege hun hoge kinderpopulatie en de beschikbaarheid van openbare speelruimtes. Evosmos is weliswaar dichtbebouwd en wordt gekenmerkt door beperkte groene ruimtes, druk verkeer en voornamelijk flatgebouwen, maar trekt veel gezinnen aan die het chaotische stadscentrum willen vermijden en in een rustige stedelijke omgeving willen wonen. Pefka daarentegen is een nieuwere voorstedelijke wijk met rustigere straten, veel groen en meer vrijstaande huizen met tuinen, waardoor het voor Thessaloniki-begrippen een gezinsvriendelijkere omgeving is. Deze verschillen tussen de wijken bieden een manier om te zien hoe het speelgedrag van kinderen zich aanpast aan verschillende ruimtelijke en sociale contexten.

Play-along interviews met kinderen
Door middel van play-along interviews met kinderen onderzochten we hun perspectief op risicovol spelen in hun buurt. In totaal namen 41 basisschoolkinderen van 6 tot 12 jaar deel: 20 uit Evosmos en 21 uit Pefka. Voortbouwend op de go-along methode die traditioneel bij volwassenen wordt gebruikt – waarbij onderzoekers deelnemers door hun omgeving volgen om in het moment inzicht te krijgen in hun ervaringen – worden interviews ingebed in spel, een domein waar kinderen de echte experts zijn. De veldonderzoeker en eerste auteur van dit artikel, Elisavet, volgde en interviewde kinderen terwijl ze door hun buurt liepen, waarbij zij hen de weg en speelactiviteiten liet bepalen.
Door kinderen in hun eigen speelomgeving te observeren en naar hen te luisteren, ontstond een duidelijk beeld van hun gedrag, terwijl ze ook beter in staat waren om zich hun ervaringen levendig te herinneren en erover na te denken. Als kinderen bijvoorbeeld door de buurt liepen, lieten ze meteen zien waar en hoe ze klimmen, rennen of zich verstoppen, waardoor Elisavet in het moment en op de plek zelf vervolgvragen kon stellen om een beter inzicht te krijgen in hun ervaringen. Hoewel deze benadering het perspectief van kinderen op de voorgrond plaatst, is het belangrijk om je bewust te blijven van de inherente machtsverhoudingen tussen onderzoekers en kinderen, aangezien het kaderen en interpreteren van ervaringen nog steeds wordt bepaald door volwassenen.
De play-alongs lieten zien dat kinderen hun spel aanpassen aan wat lokaal beschikbaar en acceptabel is, en dat er sprake is van een uniek Grieks perspectief op risicovol spelen. Deze bevindingen worden gepresenteerd in drie thema’s: (1) ruimtelijke improvisatie, (2) autonomie en toezicht, en (3) het inschatten van grenzen.
Ruimtelijke improvisatie: ruimte maken voor risico’s
In Thessaloniki dwingt het gebrek aan open speelruimtes kinderen om zich aan te passen aan wat er wel beschikbaar is via ruimtelijke improvisatie. In beide wijken vormen ‘πυλωτές’ [pilotés], open begane grondverdiepingen van appartementsgebouwen die bedoeld zijn voor parkeren, de meest gebruikte speelruimtes, bijvoorbeeld om te sprinten en verstoppertje te spelen. Dit opvallende voorbeeld laat zien hoe kinderen ruimte maken voor risico’s door creatief te zijn.
De ruimtelijke beperkingen van kinderen wordt vooral duidelijk in Evosmos. Het spelen in de buurt vind plaats in specifieke ontmoetingsplaatsen – meestal omheinde ruimtes zoals speelplaatsen en schoolpleinen – waar kinderen samenkomen onder begeleiding van een ouder, zelfs totdat zij de leeftijd van 11 jaar hebben. Een van de belangrijkste redenen hiervoor is de bezorgdheid van ouders over het verkeer. Met snel rijdende auto’s, motorfietsen die tegen het verkeer in rijden en voertuigen die zebrapaden of zelfs rode verkeerslichten negeren, voelt het onveilig om op straat rond te lopen. Dit drukke verkeer beperkt daarom snel fietsen/rennen of spelen buiten het zichtveld van ouders, en dwingt kinderen naar pilotés en andere afgesloten plekken of verlaten hoekjes, waar ze nog steeds met enige snelheid kunnen spelen en zelfs even kunnen ‘verdwalen’ achter een muur.
Daarnaast zijn de formele speelplekken in Evosmos ook geen geschikte plekken voor (risicovol) buitenspelen. Ze zijn slecht uitgerust, met slechts een paar traditionele toestellen die meestal roestig of kapot zijn, en niets dat lijkt op de meer avontuurlijke, op de natuur gebaseerde ontwerpen die men in Noord-Europa veel ziet. Vaak worden speelplekken door de kinderen ook omschreven als “voor baby’s”, wat betekende dat ze te simpel waren en bedoeld waren voor veel jongere kinderen. Het gevolg is dat kinderen de beschikbare faciliteiten op avontuurlijkere manieren gebruiken, bijvoorbeeld door op het dak van het speelhuisje te klimmen, ook al is dat daar niet voor ontworpen. Ook kiezen ze andere plekken om te spelen, zoals verkeersparken, basketbalvelden of openbare fitnessapparaten. Andere openbare ruimtes (zoals kleine parken) zijn vaak verwaarloosd – het gras is niet gemaaid, de bankjes zijn vies en kapot, en er ligt afval – waardoor kinderen nauwelijks bruikbare speelruimtes hebben voor hun eigen vrije spel. De meeste speelruimtes in Evosmos hebben ook te weinig groen, waardoor kinderen minder mogelijkheden hebben om met natuurlijke elementen te spelen en risico’s te nemen. Toen hen rechtstreeks naar ‘groen’ werd gevraagd, erkenden de kinderen het gebrek daaraan. Toch bleek het niet hun grootste zorg te zijn met betrekking tot het nemen van risico’s. Wat ze echt nodig hadden was ruimte – open gebieden waar ze genoeg plek hebben om hard te rennen, de wind in hun gezicht te voelen en vrij te zijn.

In Pefka neemt ruimtelijke improvisatie een andere vorm aan dan in de stedelijke omgeving van Evosmos. Spelen op straat is meer zichtbaar: kinderen van verschillende leeftijden spelen vrij op straat, fietsen met hoge snelheid rond en hangen met vrienden voor hun huis zonder dat er volwassenen bij zijn. De gemeente heeft geïnvesteerd in meer speeltuinen, die beter onderhouden en beter uitgerust zijn dan die in Evosmos, met meer avontuurlijke voorzieningen zoals klimrekken en hogere glijbanen. Naast speeltuinen en andere speelruimtes bieden groene zones en natuurlijke elementen (zoals bomen, aarde, stenen of takken) meer mogelijkheden voor risicovol spel. Kinderen waarderen het groen en gebruiken het vaak voor avontuurlijk spel, zoals klimmen in bomen, op heuvels of muren, en verstoppertje spelen in bosachtige gebieden. Het verkeer is minder een punt van zorg, hoewel dit nog steeds afhangt van het exacte gebied van Pefka waar gezinnen wonen.
Kinderen die dichter bij de hoofdstraat wonen, kunnen niet direct vanuit hun huis buitenspelen, maar moeten vaak – met hun ouders – naar smalle, rustigere straten of voor kinderen bestemde plaatsen om te spelen. Kinderen die dichter bij de berg wonen, hebben meer vrijheid om voor hun huis te spelen. Ze sluiten gewoon de straat af om te spelen. Als ze een auto horen aankomen, gaan ze even aan de kant staan en sluiten de straat daarna weer af. Alles bij elkaar genomen lijkt het erop dat het gebruik van de ruimte door kinderen niet alleen verschilt tussen de twee wijken, maar ook binnen de voorstad Pefka zelf. Maar hoewel de speelruimtes verschillen, is de impuls dezelfde: grenzen verleggen, evenwicht testen, snelheid voelen.

“Wanneer je de wind in je gezicht voelt door de snelheid, dan voel je je vrij“
Autonomie en toezicht: onderhandelen over vrijheid
Het tweede thema dat naar voren komt, is hoe het risicovolle spel van kinderen wordt gevormd door de voortdurende onderhandeling tussen autonomie en toezicht – iets wat wederom verschilt per buurt. Voor veel kinderen was het belangrijkste aan buitenspelen simpelweg dat ze daardoor niet thuis zijn. Op de vraag: “wat is de saaiste plek om te spelen in de buurt?”, was het meest voorkomende antwoord “thuis”. Dit weerspiegelt niet alleen een verlangen naar vrijheid, maar ook de complexe wisselwerking tussen ouderlijk toezicht, zorg en de eigen keuzevrijheid van kinderen. Hoewel thuis veiliger is dan de onzekerheid van buiten, beperkt het vaak de mogelijkheden om te ontdekken, grenzen te verkennen en zelfbeschikking te ervaren.
In Evosmos beperkt het ouderlijk toezicht de vrijheid van kinderen sterk. Kinderen zijn bijna nooit zonder toezicht. Ouders begeleiden hen naar ontmoetingsplaatsen en blijven in de buurt terwijl ze spelen, meestal binnen omheinde terreinen. Dit beperkt de mogelijkheden om te spelen waarbij kinderen konden verdwijnen of ‘verdwalen’. Dit werd ook aangegeven door de kinderen in Evosmos: “Je mag nergens heen gaan buiten het zicht van je ouders”. Bezorgdheid over de sociale veiligheid – vooral uitgedrukt in de voortdurende angst voor onbekenden vanwege verhalen over pogingen tot kinderontvoering – versterkte vaak de bezorgdheid van ouders, waardoor kinderen soms dagenlang binnen moesten blijven. Ook de samenhang binnen de gemeenschap werd genoemd als een ontbrekend element in Evosmos: “Je weet niet wie er naast je woont”. Hierdoor waren ouders minder geneigd om hun kinderen zelfstandig te laten buitenspelen.
Ondanks dit strenge toezicht, onderhandelen kinderen over kleine vrijheden. De waarschuwingen van hun ouders klinken als een soundtrack die altijd op de achtergrond speelt: “Wees voorzichtig! Niet zo hoog! Niet zo ver!”. Kinderen negeren echter die waarschuwingen vaak en gaan door met spelen, terwijl hun ouders met elkaar blijven kletsen. De waarschuwingen worden vaak niet ervaren als een strikt verbod, maar meer als een rituele uitwisseling die iedereen begrijpt. Kinderen zoeken nog steeds de spanning – een kleine berisping in ruil voor hoger klimmen, sneller rennen of even achter een muur glijden. Ouders stellen op hun beurt een duidelijke grens die zorgzaamheid uitstraalt, maar ruimte laat voor kleine avonturen. In die wisselwerking verdwijnt risicovol spelen niet volledig; er wordt over onderhandeld en het wordt afgestemd op wat voor beiden veilig maar uitdagend genoeg voelt.
“Thuis is de meest saaie speelplek“
In Pefka hebben kinderen meer vrijheid om zonder toezicht te spelen en de omgeving te verkennen, hoewel hun autonomie nog steeds wordt bepaald door lokale kenmerken. Ouders blijven vaak binnen terwijl de kinderen in de buurt spelen, soms met een raam open om de stemmen van de kinderen in de verte te kunnen horen. Als kinderen ouder worden, wordt de hele buitenwijk hun speelterrein, hoewel dit vaak gepaard gaat met controle op afstand door de ouders via mobiele trackingapps. De samenhang binnen de gemeenschap werd als positief ervaren: “we kennen elkaar hier allemaal”. Dit was bepalend voor het gevoel van veiligheid dat ouders hadden over de onafhankelijkheid van hun kinderen. Hoewel verkeer en gevaar door vreemden minder zorgen baren, zijn loslopende honden en zelfs wilde zwijnen die uit de heuvels naar beneden komen van invloed op het gevoel van veiligheid en de speelmogelijkheden van kinderen. Dit beperkt soms het spelen in onbekende gebieden zonder toezicht, maar maakt kinderen ook creatiever, bijvoorbeeld door takken mee te nemen die kunnen helpen om dieren af te schrikken.
De aanwezigheid van leeftijdsgenoten is een cruciale factor die zelfstandig risicovol spelen in beide buurten mogelijk maakt. Ouders zijn eerder bereid om hun kinderen zonder toezicht in de buurt te laten spelen als er leeftijdsgenoten aanwezig zijn. Kinderen proberen op hun beurt meer uitdagende activiteiten uit als ze met vrienden zijn. Wat kinderen daarom het meest zouden missen bij een verhuizing, zijn niet de parken of straten, maar hun vrienden.

Het inschatten van grenzen: leuke risico’s versus echte gevaren
Het derde thema wat naar voren komt uit het veldwerk is het onderscheid tussen ‘leuke risico’s’ en ‘echte gevaren’. Elisavet heeft in de interviews nooit de term ‘risicovol spelen’ gebruikt. In plaats daarvan gebruikte zij kindvriendelijke woorden als scaryfunny (het is eng, leuk en alles daartussenin), spannende avonturen of kriebels in de buik. Kinderen benadrukten echter herhaaldelijk dat ze hun eigen grenzen beter kennen dan hun ouders denken. Ze testen hoe hoog ze kunnen klimmen, hoe snel ze kunnen rennen. En als ze vallen, is dat niet erg – ze krijgen wat schrammen of blauwe plekken, maar wat maakt dat uit? Dat is normaal. Ouders daarentegen vrezen vaak het ergste en doen alsof elke val potentieel fataal kan zijn. Zoals een kind zelf uitlegt: “zelfs als we vallen, betekent dat niet dat we dood gaan.”
In Evosmos zien we dat kinderen hun grenzen opzoeken door middel van creatieve aanpassingen in de dichtbebouwde omgeving. Waar bomen schaars zijn, worden hekken, signaaltorens en openbare turnstangen verticale uitdagingen voor kinderen. Kinderen beoordelen echter zorgvuldig hoe ze elk materiaal kunnen beklimmen – waarbij ze roestig ijzer of onstabiele oppervlakken vermijden – om echt letsel te voorkomen. Op dezelfde manier bieden pilotés ruimte om te rennen, te achtervolgen en te verstoppen. Hierbij kiezen kinderen zorgvuldig hoekjes uit waar ze even kunnen verdwijnen, maar tegelijkertijd vermijden ze ook plekken waar oudere jongeren rondhangen of verlaten gebouwen die als onveilig worden beschouwd, bijvoorbeeld omdat het een plek is waar drugsgebruikers soms samenkomen. Ruig spel, zoals speelse vechtpartijen werden soms ook geobserveerd, vooral op plekken waar niet veel andere mogelijkheden zijn voor risicovol spel, aangezien hiervoor alleen het lichaam zelf nodig is en geen specifieke materialen. Kinderen zijn zich echter ook bewust van de mogelijke negatieve gevolgen van dit type spel en stoppen als het te wild lijkt te worden met de uitleg: “Brave kinderen slaan elkaar niet, omdat ze hun vrienden geen pijn willen doen – ze willen alleen maar plezier hebben”. Bovenstaande patronen laten zien dat kinderen in dichtbevolkte stedelijke buurten nog steeds balanceren tussen veiligheid en uitdaging, waarbij ze hun persoonlijke grenzen verkennen en uit hun comfortzone treden.

In Pefka hebben kinderen meer vrijheid om diverse vormen van risicovol spelen te ontdekken, maar ook zij beoordelen risico’s op basis van hun eigen inschatting van grenzen. Zo spelen kinderen op grote hoogte, door in bomen of op heuvels en muren te klimmen. Bij het klimmen zijn ze zich ervan bewust welke takken hun gewicht kunnen dragen en klimmen ze niet hoger dan ze aankunnen, waarmee ze zorgvuldig hun eigen grenzen afwegen. Snel fietsen en rennen is mogelijk in de rustige straten van Pefka, maar kinderen zijn zich er ook van bewust dat ze de hoofdstraat niet mogen oversteken. Niet alleen omdat dat door hun ouders verboden is, maar ook omdat ze zich bewust zijn van het gevaar van snel rijdende auto’s. Spelen met natuurlijke elementen, zoals aarde, stenen, en takken, is hier meer zichtbaar, hoewel het soms door hen wordt ontmoedigd omdat ze dan ‘vies zouden worden’. Spelen met gevaarlijke gereedschappen komt over het algemeen zelden voor, hoewel een groep 11-jarige jongens vertelde dat ze wel eens touwen, hamers en scharen meenemen om op een fantasierijke ‘spokentocht’ te gaan. De vaders weten hiervan en zorgen ervoor dat ze de gereedschappen op de juiste manier kunnen gebruiken. Deze voorbeelden laten zien dat kinderen, en met name die in Pefka, goed in staat zijn om risico’s te herkennen en verkennen.
“Zelfs als we vallen, betekent het niet dat we doodgaan.“
Naar een Grieks perspectief op risicovol spelen
Dit onderzoek toont aan dat risicovol spelen niet alleen een idee is wat ontstaan is in Noord-Europa, maar een universele behoefte die verschillende vormen aanneemt, afhankelijk van de culturele, fysieke en sociale context. In Nederland voelt het beklimmen van een metershoge constructie misschien helemaal niet risicovol aan, terwijl in Griekenland diezelfde hoogte juist voor spanning zorgt. Evenzo kunnen activiteiten die in Noord-Europa als acceptabel worden beschouwd, zoals het gebruik van vuur of gereedschap, in Griekenland als te risicovol worden beschouwd. Dit betekent echter niet dat Griekse kinderen noodzakelijkerwijs minder risicovol spelen. Ze verkennen juist actief hun eigen grenzen en passen hun spel aan op basis van de mogelijkheden, waaruit blijkt dat het nemen van risico’s wordt bepaald door lokale mogelijkheden. Hoewel vergelijkingen met Noord-Europa behulpzaam kunnen zijn, is het belangrijk om te beseffen dat de speelpraktijken van kinderen verankerd zijn in lokale geschiedenissen, sociale verwachtingen en materiële omstandigheden.
Of het nu in de dichtbebouwde wijken van Evosmos of in de groenere straten van Pefka is, de behoefte aan avontuur is altijd aanwezig. Hoewel Griekenland niet de cultuur van natuurgericht onderwijs en de norm van uitdagende opvoedingspraktijken kent die in Noord-Europa gangbaar zijn, vinden kinderen toch hun eigen manieren om risicovol te spelen. Ze herinterpreteren risico’s aan de hand van de mogelijkheden die hun buurt biedt, wat aantoont dat de geografische omgeving van belang is voor hoe risico’s worden begrepen, gevoeld en ervaren. Belangrijk is dat kinderen geen passieve deelnemers zijn in deze ruimtes. Het feit dat ze echt gevaarlijke situaties vermijden – zoals het oversteken van drukke straten – toont aan dat ze over ingeburgerde kennis en vermogen beschikken om risico’s in te schatten. In plaats van het overbeschermen van kinderen, moeten we juist inzetten op stedelijke omgevingen die vertrouwen hebben in het inschattingsvermogen van kinderen en hen in staat stellen veilig met onzekerheid om te gaan, in plaats van te proberen elk risico volledig uit te bannen.
Al met al, wijst dit onderzoek op een uniek Grieks perspectief op risicovol spelen: een perspectief dat minder gaat over geïdealiseerde avontuurlijke speelplaatsen en meer over het geven van ruimte – fysiek en sociaal – aan de dagelijkse avonturen van kinderen.
Literatuurselectie
Katsavounidou, G. (2021). Urban playgrounds as potential green infrastructure: The case of Thessaloniki. IOP Conference Series: Earth and Environmental Science, 899, 012016
Meijer, M., Visser, K., & van Aalst, I. (2024). Planning for risky play: From child-safe playgrounds towards adventurous urban areas. Planning Theory & Practice, 25(4), 463–481
Obee, P., Sandseter, E. B. H., & Harper, N. J. (2020). Children’s use of environmental features affording risky play in early childhood education and care. Early Child Development and Care, 191(16), 2607–2625.
Sandseter, E. B. H. (2007). Categorising risky play—how can we identify risk‐taking in children’s play? European Early Childhood Education Research Journal, 15(2), 237–252
Visser, K., van Aalst, I., & Meijer, M. (2024). Creating environments for risky play: Understanding the interplay between parents, play professionals, and policymakers. Children & Society, 38(1), 1–18
Elisavet Pasidi (e.pasidi@uu.nl) is promovenda aan de Universiteit van Utrecht waar zij onderzoek doet naar risicovol buitenspelen van kinderen in de publieke ruimte. Het artikel is gebaseerd op haar veldwerk in Thessaloniki, Griekenland tussen Mei en Juni 2025. Kirsten Visser (k.visser@uu.nl) is Universitair Docent Stadsgeografie aan de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op de geografie van kinderen, jongeren en gezinnen, met specifieke aandacht voor risicovol spelen en inclusief spelen.
Dit artikel is vertaald uit het Engels door de redactie van AGORA.
