Nederlandse feministische geografie anno 1984

Jasmijn van der Craats, Michiel van Meeteren, Krisztina Varró & Marielle Zill

Bron: Dallas Penner via Unsplash

De tweede feministische golf (1965-1990) bracht een nieuwe dynamiek in de Nederlandse samenleving en beïnvloedde ook de geografie en de planologie. Rond 1984 ontstond er een invloedrijk netwerk van vrouwen dat de inrichting van de ruimte bekritiseerde. Wat hield deze feministische kritiek in elke welke boodschap heeft zij voor hedendaags beleid?

1984, het geboortejaar van AGORA, is een belangrijk omslagpunt in de geschiedenis van de Nederlandse feministische geografie. Waar feministische initiatieven tot dan toe sporadisch waren, werden de inspanningen concreter, en bundelde feministen hun krachten om de vrouwonvriendelijkheid in de ruimtelijke ordening aan te pakken. In AGORA is in 1984 nog weinig van deze beweging zichtbaar. In tegenstelling tot Rooilijn, het tijdschrift van de Amsterdamse planologen, dat er uitgebreid aandacht voor had (zie hieronder). Het duurt tot 2010 voordat feministische ideeën in het vizier van AGORA komen en er nog wat onwennig een themanummer (26-1) aan gender wordt gewijd.

In deze bijdrage vullen we de blinde vlek van AGORA uit 1984 alsnog in. Om te laten zien welke discussies destijds al gevoerd hadden kunnen worden, belichten we in de volgende paragrafen drie sleutelpublicaties uit 1984. Deze publicaties illustreren de groeiende aandacht voor de relatie tussen (vrouwen)emancipatie – oftewel het toekennen van gelijke rechten én kansen (aan vrouwen) – en de inrichting van de gebouwde omgeving.

De Nederlandse tweede feministische golf (ca. 1965-1990)
De tweede feministische golf in Nederland was geïnspireerd door feministische bewegingen in de Verenigde Staten. Eind jaren zestig ontstonden ook in Nederland actiegroepen, zoals Man-Vrouw-Maatschappij (1968) en Dolle Mina (1969), die streden voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen in de samenleving. Terwijl de eerste feministische golf (ca. 1870-1920) zich richtte op het verkrijgen van basisrechten zoals vrouwenkiesrecht en toegang tot onderwijs en betaald werk, draaide de tweede golf om het beëindigen van wettelijke en maatschappelijke ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Thema’s zoals gelijke arbeidsrechten, legale abortus, kinderopvang en het afschaffen van discriminerende wetgeving stonden centraal. Feministen bekritiseerden de focus van de samenleving en het overheidsbeleid op het traditionele kerngezin, waarbij de man de buitenshuis betaalde arbeid verrichtte en de vrouw thuis onbetaald zorgwerk op zich nam, vaak in combinatie met de zorg voor de kinderen.

In de jaren zeventig verschoof de aandacht naar persoonlijke kwesties. Het motto “het persoonlijke is politiek” benadrukte dat de strijd voor gelijkheid niet alleen in de publieke sfeer, maar ook in het dagelijks leven van vrouwen gevoerd moest worden. Een sleutelfiguur in de Nederlandse feministische beweging was Hedy D’Ancona. Zij speelde een belangrijke rol in zowel de politiek als in de wetenschap, met haar onderzoek in de sociale geografie. Haar werk droeg bij aan een bewustwording over de noodzaak van een geëmancipeerde samenleving en een ruimtelijke ordening waarin mannen en vrouwen gelijk werden behandeld. Mede dankzij haar inspanningen werd onder meer abortus gelegaliseerd en de basis gelegd voor reguliere kinderopvangvoorzieningen in Nederland.

Daarnaast bracht haar pionierende ‘woononderzoek’ het perspectief van vrouwen in nieuwbouwwijken onder de aandacht – een groep die vaak over het hoofd werd gezien. In de jaren tachtig richtte het feminisme zich steeds meer naar buiten toe om haar idealen te verankeren in wetgeving, wat leidde tot blijvende veranderingen in de Nederlandse samenleving.

‘Rooilijn’, 1984

‘Feminisme en Ruimtelijke Ordening
In 1984 bracht Rooilijn een themanummer uit over “Feminisme en Ruimtelijke ordening”, het tweede in een reeks van drie (eerder in 1982 en later 1986 verschenen soortgelijke themanummers). De bijdragen, waaronder besprekingen van twee afstudeerscripties, reflecteerden de toenemende aandacht voor feministisch ideeën onder sociaalgeografen en planologen. Beide scriptiebesprekingen tonen aan hoe studenten in destijds al zelfstandig met feministische thema’s bezig waren.

De eerste scriptie, uit de pen van Carolien van den Handel, richtte zich op de woonbehoeftes van vrouwen met een Surinaamse achtergrond. Hoewel de term niet expliciet wordt genoemd, getuigt de scriptie zich van een vroeg bewustzijn van intersectionaliteit: het meervoudige karakter van identiteit én uitsluiting langs assen zoals gender, geslacht, etniciteit, huidskleur, leeftijd en gezondheid. De tweede scriptie, van Liesbeth Bloeme en Vivienne Tersteeg, bekritiseerde recreatieplanning die zich richtte op het traditionele kerngezin dat bij goed weer in het weekend met de gezinsauto groene openluchtplekken opzoekt. In plaats van een eenzijdige recreatiepatroon, zo pleiten de auteurs, moet er rekening worden gehouden met meerdere recreatiestijlen.

Het zwaartepunt van het themanummer lag echter bij de vraag hoe feministische ideeën meer invloed konden krijgen in planvorming en -uitvoering. Ondanks initiatieven zoals de inter-universitaire onderzoeksgroep Wonen en de positie van de vrouw, het werkverband Vrouwen in de Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting vanhet NIROV (Nederlandse Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting), en de Stichting Vrouwen Bouwen Wonen, bleef daadwerkelijke verandering beperkt. Volgens Van Loon en Tersteeg kwam dit door “de lakune van macht en invloed van vrouwen” (p. 184). Een illustratief voorbeeld hiervan is het verslag van de Vrouwen Advies Commissie (VAC) Amsterdam, opgericht begin jaren vijftig om advies te geven op woningbouwprocessen vanuit het perspectief van de (huis)vrouw, waarin als vooruitgang wordt vermeld dat er “een kast […] is leeggemaakt!!!” (p. 175) voor de VAC bij de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting. Het rapport benadrukte de noodzaak van vroegtijdige betrokkenheid in het planproces en stelde dat deze “kast” als centraal punt moest dienen voor samenwerking met andere vrouwenorganisaties, maar ook met woningbouwverenigingen, wijkcentra en bewonersorganisaties.

Een andere bijdrage stelde dat “de netwerk-gedachte als basis [nemen] voor machtsvorming” essentieel is. Dit lijkt ook de centrale boodschap van het themanummer. Feministische geografie en planologie ontstonden eind jaren zeventig via “praatgroepen” waarin geografiestudenten en junior medewerkers emancipatie en ruimtelijke vraagstukken onderling kritisch bespraken. Het was nu tijd om de ideeën uit deze praatgroepen om te zetten in praktijk. Dit betekende niet alleen het horizontaal verbinden van buurt(‘praat’)groepen met verschillende disciplines, maar ook het verticaal betrekken van vrouwen in hoge posities bij gemeenten, provincies en het Rijk. Het ultieme doel was een gelijkwaardigere, ‘feministische’ ruimtelijke ordening, waarin vrouwen een substantiële rol spelen in besluitvormingsprocessen.

Cartoon “van Praatgroep naar Netwerk?” De vrouwen in het netwerk hebben respectievelijk de rol van gemeente, architect, sociaal werken bewoonster. (Illustratie: Jacomien Dicke, Bron: Bloeme et al., 1982)

‘Ruimte beperkend of bevrijdend.’

‘Ruimte, beperkend of bevrijdend?’
In de jaren tachtig vormden provinciale streekplannen een belangrijke schakel tussen de landelijke ruimtelijke ordening en gemeentelijke bestemmingsplannen. Streekplannen werden ontwikkeld door de “Provinciaals Planologische Diensten (PPD)”, die daarvoor ook aan kennisontwikkeling deden. In 1984 organiseerde De PPD Zuid-Holland een studiedag over “vrouwenemancipatie en ruimtelijke ordening”, bedoeld voor beleidsvoorbereiders en bestuurders. Tijdens deze bijeenkomst onderzochten experts en beleidsmakers gezamenlijk hoe vraagstukken rond emancipatie geïntegreerd konden worden in ruimtelijke planning.

De ochtend begon met presentaties van vier uitgenodigde feministisch geografen en planologen van de Universiteit van Amsterdam en de gemeente Amsterdam. Zij deelden hun onderzoek om de PDD bij te praten over de relatie tussen emancipatie en ruimte, waarna in werkgroepen werd gediscussieerd en beleidsaanbevelingen werden geformuleerd. De resultaten van deze studiedag zijn gepubliceerd in de bundel Ruimte, Beperkend of Bevrijdend?, dat een waardevol inzicht biedt in de discussies en conclusies van die dag.

De eerste twee lezingen, verzorgd door Josefien van Wijk en Eva van Kempen, vertaalden de belangrijkste wetenschappelijke inzichten over emancipatie en ruimte naar een concrete beleidsagenda. Beide sprekers benadrukten de gevolgen van het ontbreken van een vrouwelijke stem in het beleid. Zo wees van Wijk erop dat onbetaalde (zorg)arbeid en deeltijdwerk, traditioneel uitgevoerd door vrouwen, vaak niet werden opgenomen in officiële statistieken. Hierdoor hield de ruimtelijke planning geen rekening met de mobiliteitsbehoeften van vrouwen die werk- en zorgrollen combineren. Van Wijk wijst erop dat het merendeel van de verplaatsingen van vrouwen destijds niet werkgerelateerd was en vaak zonder gebruik van een auto plaatsvond. Van Kempen voegde hieraan toe dat vervoersarmoede met name een probleem was in de zogenoemde “vrouwenruimte” van de ‘suburbs’, waar functiescheiding, een kernprincipe van modernistische ruimtelijke planning, emancipatie juist belemmerde. Van Wijk concludeerde dat ruimtelijke ordening op zichzelf geen emancipatie kan afdwingen, maar wel emanciperende ontwikkelingen in de samenleving kan faciliteren.

Joos Droogleever Fortuin stelde in haar lezing een methodologische bias aan de kaak, namelijk: hoe door de standaard dataverzameling op “huishoudensniveau” de overheid genderbarrières over het hoofd zag. Ze pleitte voor andere statistische definities en prioriteiten ‘en voor meer kwalitatief onderzoek dat nog weinig erkenning heeft onder beleidsmakers’. Tot slot stelde Marijke van Schendelen de machtsvraag: ‘wie bepalen er wat er gepland en gebouwd wordt en hoe zorg je ervoor dat die een alternatief perspectief accepteren? Is niet juist de bouwsector ook een mannenbolwerk? Hoe verander je een planning die is gestoeld op monofunctionele wijken en een gezin met duidelijke mannen en vrouwenrollen?’ De daaropvolgende discussies lezen als een interessante brainstormsessie over hoe provinciale overheden hun ingesleten patronen konden veranderen. Opvallend was dat de noodzaak tot verandering bij alle provincies werd gedeeld.

Studiemiddag “Bezwaarschrift plannen Amsterdam”
Op 24 mei 1984 kwamen 75 deelnemers samen in Amsterdam om een feministisch bezwaarschrift voor te bereiden tegen het Ontwerp-Structuurplan van de stad, dat de toekomstige ruimtelijke ordening zou bepalen. De werkgroep “Vrouwen en Structuurplan”, onder leiding van geograaf Saar Boerlage, betoogde dat het Ontwerp-Structuurplan geen rekening hield met een toekomst waarin mannen en vrouwen gelijke rollen vervullen, zowel in het huishouden als in betaald werk. Het structuurplan was immers gebaseerd op traditionele gezinsvormen en een scheiding van functies voor wonen, werken en recreatie.

‘Studiemiddagbezwaarschrift.’

Voorafgaand aan de bijeenkomst publiceerde de werkgroep een toekomstbeeld van een geëmancipeerde samenleving in het eerder genoemde Rooilijn-themanummer, dat als basis diende voor de discussies tijdens de studiemiddag. Die toekomstvisie schetst een ruimtelijke ordening die gelijke rolverdeling tussen mannen en vrouwen bevordert. Vrouwen zouden minder tijd binnenshuis doorbrengen, terwijl mannen meer zorgtaken op zich nemen. Wonen en werken zouden met elkaar worden gemengd, en voorzieningen zouden dicht bij huis en goed bereikbaar moeten zijn. Vier themagroepen tijdens de studiemiddag, gericht op thema’s zoals veiligheid, sociale menging, bereikbaarheid en decentralisatie verdiepten de discussie verder.

De inleidende lezing van Marijke van Schendelen, van het Planologisch en Demografisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam, en de daaropvolgende reacties brachten een belangrijk dilemma in de feministische planning aan het licht: hoe kunnen maatregelen die specifiek gericht zijn op vrouwen voorkomen dat traditionele rolpatronen worden versterkt? Van Schendelen uitte kritiek op voorstellen uit de feministische toekomstvisie zoals het inzetten van minibussen om vrouwen ’s avonds veilig thuis te brengen, omdat dit een stereotype beeld zou bevestigen van vrouwen als ‘angstige wezens’. Ze betoogde dat het structuurplan niet gedetailleerde maatregelen van deze aard moet bevatten, maar moet steunen op bredere algemene uitgangspunten waarbij vrouwen actief betrokken worden bij besluitvormingsprocessen. Andere waren van mening dat het indienen van een bezwaarschrift noodzakelijk was om de betrokkenheid van vrouwen bij ruimtelijke ordening te onderstrepen. Iemand stelde dat ‘wanneer je niet een fundamentele maatschappijkritiek vooropstelt, je weinig coherente en diepgaande veranderingen zal kunnen bewerkstelligen in de doelstellingen van het Structuurplan’. De studiemiddag markeerde een belangrijke stap in de ontwikkeling van de rol van vrouwen in de stedelijke ruimtelijke ordening in Nederland. Het werd duidelijk dat ‘hét’ feministisch perspectief op ruimtelijke ordening niet bestaat.

De feministische geografische erfenis
Sinds 1984 is de invloed van de feministische geografie in Nederland steeds zichtbaarder geworden, zowel binnen de feministische beweging als in de bredere samenleving. Feministische geografen vormden geen homogene groep; verschillende stromingen hadden uiteenlopende visies op hoe de maatschappelijke veranderingen gerealiseerd moesten worden, variërend van binnenuit via bestaande structuren tot door externe druk en activisme.

Als geheel speelden ze een belangrijke rol in het aankaarten van de ruimtelijke aspecten van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die werd versterkt door een verstedelijkingsbeleid geënt op het kerngezin. Anno 2024 is het eenverdienersgezin niet langer standaard voor de Nederlandse overheid en is er meer expliciete aandacht voor functiemenging en leefbaarheid. In dat opzicht is een deel van de feministische agenda gerealiseerd. Toegenomen ruimteclaims en de groeiende klimaatproblematiek maken het behalen van deze doelen echter een uitdaging. Als gevolg van privatisering en deregulering sinds de jaren 90 ontbreekt er bovendien centrale regie en zijn vooral marktpartijen aan zet bij ruimtelijke opgaves. Omdat voor projectontwikkelaars woningen en bedrijfsruimtes het meeste opleveren loopt de realisatie van voorzieningen vaak achter, en door stedelijke verdichting komt groen steeds meer onder druk. Hoewel dit negatief uitpakt voor álle stedelingen, ervaren er vrouwen meer hinder van. Ondanks hun grotere participatie aan de arbeidsmarkt verrichten zij namelijk nog steeds de overgrote deel van onbetaalde zorgarbeid, en bij gebrek aan goed bereikbare kwalitatieve collectieve voorzieningen zien ze hun zorgtaken (al dan niet in combinatie met betaald werk) verzwaren. Veel van de problematiek die de feministische geografie aankaartte komt op die manier, met een ander gelaat, opnieuw terug. Veel kennis en structuren die de afgelopen 40 jaar zijn opgebouwd zijn echter vergeten en verdwenen. De vroege Nederlandse feministische geografie is een onterecht genegeerde bron van kennis omtrent de fundamentele rol die de inrichting van de ruimte speelt in de verdere emancipatie van vrouwen, en ook van mannen. Voor publicaties als AGORA betekent dit een blijvende rol om deze kennis onder de aandacht te brengen in het verbinden van theorie en praktijk.

Alle auteurs zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht, vakgroep Sociale Geografie en Planologie. Samen werken zij aan historisch onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse Feministische Geografie en Planologie, financieel bijgestaan door de een subsidie van de Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen (EFL) Stichting.