Rik Huizinga

Van vluchtelingen wordt verwacht dat zij actief meedoen in de Nederlandse samenleving en moeite doen om te integreren in lokale gemeenschappen. Door de Spreidingswet wordt de opvang van vluchtelingen evenwichtig verdeeld over provincies en gemeenten. Dit creëert echter een ongelijk speelveld aangezien kansen en belemmeringen ruimtelijk verschillen. Hoe ontstaan integratiewoestijnen, en wat betekent dat voor het alledaagse leven van vluchtelingen?
Integratiewoestijnen zijn gebieden waar mensen gehuisvest worden die moeten integreren, maar waar weinig mogelijkheden zijn om jezelf te ontplooien. Hier ervaart men vaak een gebrek aan kansen op positieve emotionele of sociale binding. Het zijn plekken die moeilijk bereikbaar zijn. Of waar het voorzieningenniveau terugloopt. Plekken met een sterke streek- of dorpsidentiteit waartoe nieuwkomers moeilijk toegang krijgen. Of juist plekken die sterk gestigmatiseerd worden, zoals kwetsbare wijken of dorpen. Zo staan nieuwkomers meteen 1-0 achter. Een schreeuw om aandacht voor deze problematiek wordt vaak beantwoord met afkeer en reduceert de schreeuwer tot een roepende in de woestijn: anderen wonen daar immers toch ook al generaties lang?
In dit artikel ontleed ik het landelijk ruimtelijk spreidingsbeleid van vluchtelingen en laat ik zien hoe belangrijk sociaal geografen en geografische ideeën zijn bij het beter begrijpen van de complexiteit van vestiging en integratie. Eerst kijk ik terug naar de laatste 40 jaar om te ontdekken waar het ruimtelijk spreidingsbeleid haar oorsprong kent en hoe het zich heeft ontwikkeld. Dan bespreek ik hoe de inzichten van geografen hebben bijgedragen aan een beter begrip van vestiging en integratie. Ik licht dit toe aan de hand van drie geografische ideeën, namelijk ontmoeting, thuis en aankomstinfrastructuren. Het artikel laat zien hoe geografen bij uitstek in staat zijn om maatschappelijke veranderingen en ongelijkheden in kaart te brengen, en te onderzoeken hoe ruimtelijke processen zich inmengen in het alledaagse leven van migranten en vluchtelingen. Op deze manier verschaffen zij ook inzicht over in- en uitsluitingsprocessen die zich ontvouwen in het dagelijks leven, waardoor je kan spreken over integratiewoestijnen in Nederland.
40 jaar gedwongen migratie en vestiging
Hoe en wanneer is het Nederlandse ruimtelijk spreidingsbeleid eigenlijk tot stand gekomen? Daarvoor moeten we terug naar de jaren 80. Ondanks een moeilijke start van het decennium door de inflatie en stijgende werkloosheid, kan deze periode grofweg gekenmerkt worden als een tijd van economische groei en nieuwe technologieën. Er groeit een overtuiging in deze tijd dat een nieuwe liberale koers de problemen in de politiek kan oplossen en sociaaleconomische veranderingen leiden tot de vrijemarkteconomie. Ondanks dat in deze periode het aantal migranten gestaag groeit door arbeids- en asielmigratie, vinden we verwijzingen gerelateerd aan het fenomeen migratie en de vestiging van migranten nog niet terug in maatschappelijke debatten Dit terwijl een onderbelicht, maar juist op dit moment belangrijk thema in deze jaren juist haar oorsprong vindt, namelijk de uitplaatsing van als vluchteling erkende asielzoekers, oftewel het ruimtelijk spreidingsbeleid.
Als we een uitstapje maken naar het heden, dan lijkt het ten onrechte dat Nederland op dit moment kennis maakt met een nieuw sociaal fenomeen: asielmigratie, en dan vooral de vestiging van vluchtelingen. Maar zoals met veel huidige migratievraagstukken is de veronderstelde problematiek van alle tijden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laat zien dat het aantal asielverzoeken vanaf 1975 tot 1990 gestaag toeneemt. Eigenlijk vergelijkbaar met huidige asielcorridors vluchten asielmigranten voornamelijk uit de Hoorn van Afrika en West-Azië inclusief Pakistan. Maar deze periode kenmerkt zich ook door asielaanvragen van mensen op de vlucht voor burgeroorlogen in Sri Lanka (Tamils) en Suriname, alsook een nieuw golf politieke vluchtelingen uit Turkije. Door deze toename wordt de aanwezigheid van ‘allochtonen’ steeds vaker als een probleem gezien in de beleidswereld; waar moeten zij wonen, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat nieuwkomers en bestaande bewoners leren samenleven?
Tot begin jaren ‘80 vonden nieuwkomers hun eigen weg wel in de Nederlandse samenleving. Met de hulp van familieleden, particuliere initiatieven, organisaties en vrijwilligers waren zij in staat woonruimte te vinden. Pas in 1987 besloot de Nederlandse Rijksoverheid in te grijpen. Dit door aanhoudend protest vanuit de grote steden, aangezien mensen op de lange termijn naar de stad leken te trekken. Aan de hand van een taakstelling kwamen vluchtelingen vanaf dat moment, zodra zij het asielzoekerscentrum (AZC) moesten verlaten, in gemeenten overal in het land terecht.
Alhoewel het integratiebeleid over de jaren sterk is veranderd door algemene trends in de beleidswereld, blijft het landelijk ruimtelijk spreidingsbeleid een constante factor. Dat komt vooral omdat de spreiding van vluchtelingen over het hele land van groot belang werd geacht voor wat nu integratie in de Nederlandse samenleving wordt genoemd. Hoewel van Liempt en Miellet in 2021 vaststellen dat spreiding uiteindelijk maar ten dele lukt, blijft de Nederlandse overheid desondanks stug vasthouden aan haar ruimtelijk spreidingsbeleid. Het werk van geografen blijft hierin helaas vaak onopgemerkt.
“Spreiding van vluchtelingen werd van groot belang geacht voor integratie“
Integratiewoestijnen zijn gebieden waar mensen gehuisvest worden die moeten integreren, maar waar weinig mogelijkheden zijn om jezelf te ontplooien. Hier ervaart men vaak een gebrek aan kansen op positieve emotionele of sociale binding. Het zijn plekken die moeilijk bereikbaar zijn. Of waar het voorzieningenniveau terugloopt. Plekken met een sterke streek- of dorpsidentiteit waartoe nieuwkomers moeilijk toegang krijgen. Of juist plekken die sterk gestigmatiseerd worden, zoals kwetsbare wijken of dorpen. Zo staan nieuwkomers meteen 1-0 achter. Een schreeuw om aandacht voor deze problematiek wordt vaak beantwoord met afkeer en reduceert de schreeuwer tot een roepende in de woestijn: anderen wonen daar immers toch ook al generaties lang?
In dit artikel ontleed ik het landelijk ruimtelijk spreidingsbeleid van vluchtelingen en laat ik zien hoe belangrijk sociaal geografen en geografische ideeën zijn bij het beter begrijpen van de complexiteit van vestiging en integratie. Eerst kijk ik terug naar de laatste 40 jaar om te ontdekken waar het ruimtelijk spreidingsbeleid haar oorsprong kent en hoe het zich heeft ontwikkeld. Dan bespreek ik hoe de inzichten van geografen hebben bijgedragen aan een beter begrip van vestiging en integratie. Ik licht dit toe aan de hand van drie geografische ideeën, namelijk ontmoeting, thuis en aankomstinfrastructuren. Het artikel laat zien hoe geografen bij uitstek in staat zijn om maatschappelijke veranderingen en ongelijkheden in kaart te brengen, en te onderzoeken hoe ruimtelijke processen zich inmengen in het alledaagse leven van migranten en vluchtelingen. Op deze manier verschaffen zij ook inzicht over in- en uitsluitingsprocessen die zich ontvouwen in het dagelijks leven, waardoor je kan spreken over integratiewoestijnen in Nederland.
40 jaar gedwongen migratie en vestiging
Hoe en wanneer is het Nederlandse ruimtelijk spreidingsbeleid eigenlijk tot stand gekomen? Daarvoor moeten we terug naar de jaren 80. Ondanks een moeilijke start van het decennium door de inflatie en stijgende werkloosheid, kan deze periode grofweg gekenmerkt worden als een tijd van economische groei en nieuwe technologieën. Er groeit een overtuiging in deze tijd dat een nieuwe liberale koers de problemen in de politiek kan oplossen en sociaaleconomische veranderingen leiden tot de vrijemarkteconomie. Ondanks dat in deze periode het aantal migranten gestaag groeit door arbeids- en asielmigratie, vinden we verwijzingen gerelateerd aan het fenomeen migratie en de vestiging van migranten nog niet terug in maatschappelijke debatten Dit terwijl een onderbelicht, maar juist op dit moment belangrijk thema in deze jaren juist haar oorsprong vindt, namelijk de uitplaatsing van als vluchteling erkende asielzoekers, oftewel het ruimtelijk spreidingsbeleid.
Als we een uitstapje maken naar het heden, dan lijkt het ten onrechte dat Nederland op dit moment kennis maakt met een nieuw sociaal fenomeen: asielmigratie, en dan vooral de vestiging van vluchtelingen. Maar zoals met veel huidige migratievraagstukken is de veronderstelde problematiek van alle tijden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laat zien dat het aantal asielverzoeken vanaf 1975 tot 1990 gestaag toeneemt. Eigenlijk vergelijkbaar met huidige asielcorridors vluchten asielmigranten voornamelijk uit de Hoorn van Afrika en West-Azië inclusief Pakistan. Maar deze periode kenmerkt zich ook door asielaanvragen van mensen op de vlucht voor burgeroorlogen in Sri Lanka (Tamils) en Suriname, alsook een nieuw golf politieke vluchtelingen uit Turkije. Door deze toename wordt de aanwezigheid van ‘allochtonen’ steeds vaker als een probleem gezien in de beleidswereld; waar moeten zij wonen, en hoe kunnen we ervoor zorgen dat nieuwkomers en bestaande bewoners leren samenleven?
Tot begin jaren ‘80 vonden nieuwkomers hun eigen weg wel in de Nederlandse samenleving. Met de hulp van familieleden, particuliere initiatieven, organisaties en vrijwilligers waren zij in staat woonruimte te vinden. Pas in 1987 besloot de Nederlandse Rijksoverheid in te grijpen. Dit door aanhoudend protest vanuit de grote steden, aangezien mensen op de lange termijn naar de stad leken te trekken. Aan de hand van een taakstelling kwamen vluchtelingen vanaf dat moment, zodra zij het asielzoekerscentrum (AZC) moesten verlaten, in gemeenten overal in het land terecht.
Alhoewel het integratiebeleid over de jaren sterk is veranderd door algemene trends in de beleidswereld, blijft het landelijk ruimtelijk spreidingsbeleid een constante factor. Dat komt vooral omdat de spreiding van vluchtelingen over het hele land van groot belang werd geacht voor wat nu integratie in de Nederlandse samenleving wordt genoemd. Hoewel van Liempt en Miellet in 2021 vaststellen dat spreiding uiteindelijk maar ten dele lukt, blijft de Nederlandse overheid desondanks stug vasthouden aan haar ruimtelijk spreidingsbeleid. Het werk van geografen blijft hierin helaas vaak onopgemerkt.
“De beleidswereld lijkt een andere kant op te gaan dan de wetenschap“
De ‘ontmoeting’ – kansen op contact
Een belangrijk idee dat geografen gebruiken om te begrijpen hoe vluchtelingen een nieuwe maatschappij navigeren is de ‘ontmoeting’. Een ontmoeting duidt op het samenkomen van personen of andere entiteiten zoals bijvoorbeeld dieren, gebouwen of dingen. In dit artikel beperk ik het tot interpersoonlijk contact. Cultureel geograaf Helen Wilson beargumenteert dat een ontmoeting tussen mensen in theorie een disruptief karakter heeft en transformatie kan bewerkstelligen. Ontmoetingen kunnen mensen blootstellen aan andere ideeën, normen en waarden, en denkwijzen. Ook worden ontmoetingen gebruikt om informatie en kennis uit te wisselen en zodoende bij te dragen aan de ontwikkeling van kapitaal. De ‘geografie van ontmoetingen’ wordt daarom vaak gebruikt om sociale en culturele diversiteit, stedelijke verschillen en vooroordelen over ‘de ander’ te onderzoeken. Dit onderzoek is vaak gericht op een concrete plek in de publieke ruimte, zoals het trottoir, pleinen, parken, maar ook buurtcentra, bibliotheken en markten.
Het ruimtelijk spreidingsbeleid van vluchtelingen in Nederland is sterk geënt op dit idee van ontmoeting en de zogenaamde ‘contacthypothese’ die hieraan ten grondslag ligt. De contacthypothese, ontwikkeld door sociaal psycholoog Gordon Allport, veronderstelt dat door contact onzekerheid en onbekendheid verdwijnt tussen individuen en sociale groepen die zogenaamd sociaal of cultureel verschillend zijn. Met andere woorden, sociaal contact kan ervoor zorgen dat mensen vertrouwd met elkaar geraken en tolerantie opbouwen. Het idee is dat hierdoor de angst voor ‘de ander’ afneemt door veranderde houdingen en overtuigingen. Yamen (23), een participant uit de stad Groningen, licht dit als volgt toe:
“Door contact met mensen uit Nederland heb ik geleerd over jullie ideeën, normen en waarden. Ik heb de taal geleerd door met mensen te praten. Dat leer je niet in school. Ik heb vrienden gemaakt, ook met mensen die mij eerst eng vonden.”
Yamen’s ervaring laat zien dat hij door veelvuldig contact relaties heeft kunnen opbouwen met mensen, ook al was dat eerst moeilijk gezien de taalbarrière en uiteenlopende levensvisies. Toch is dit niet altijd zo makkelijk. Een belangrijke toevoeging van geografen in dit debat is het verweven van Allport’s contacthypothese met ruimtelijk machtsdenken. Sociaal geograaf Gill Valentine beargumenteert dat ontmoetingen altijd plaatsvinden in een ruimte gevormd door machtsrelaties. Het is daarom moeilijk om de uitkomst van een ontmoeting in te schatten. Mensen kunnen op verschillende manieren reageren vanwege stress, humeur, angst of onzekerheid. Dit maakt een ontmoeting risicovol en onvoorspelbaar. Sterker nog, ontmoetingen kunnen natuurlijk negatief zijn waarbij de opeenstapeling van negatieve ervaringen uiteindelijk kan uitmonden in sterke gevoelens van uitsluiting. Daarnaast moet een ontmoeting überhaupt plaatsvinden om deze succesvol te laten zijn. Vooral degene die wil integreren is er bij gebaat in contact te komen, maar voor bestaande bewoners heeft dit vaak geen prioriteit. Abdul-Halim (28) vertelt dat hij in zijn dorp nauwelijks in contact komt met mensen:
“Mijn buurt is zo saai. Er zijn nooit mensen op straat, behalve oudere mensen. Zij spreken geen Engels en zeggen nooit gedag. Ik wil mensen van mijn leeftijd ontmoeten, maar ik moet zelf altijd op zoek naar sociaal contact.”
De quote is illustratief voor de non-ontmoetingen van veel vluchtelingen. Door verschillende tijd-geografieën verkeren zij vaak niet op dezelfde plek als andere bewoners. Daarnaast kunnen zij niet dezelfde plekken aandoen vanwege een gebrek aan middelen of rechten, denk aan een bar of de universiteitsbibliotheek. Hoewel het vestigingsproces van vluchtelingen voor de buitenwereld meestal een abstract idee blijft, vindt dit ergens concreet plaats door ontmoetingen. Integratieprogramma’s vallen of staan met de aanname dat nieuwkomers in contact komen met ‘Nederlanders’ en zodoende geconfronteerd worden met culturele normen, waarden, tradities en gewoontes. Hoewel de ontmoeting dus een belangrijk idee is, zijn mogelijkheden hiertoe ongelijk verspreid over vestigingsplekken.
“Een gevoel van thuis is geen zero-sum game“
‘Thuis’ – waar je woont ben je zelf
Een tweede concept waar sociaal geografen zich mee bezig hebben gehouden om de belevingswereld van vluchtelingen te begrijpen is het idee van ‘thuis’. Waar ontmoetingen zich vooral afspelen in de publieke ruimte, is het idee van ‘thuis’ traditioneel meer gericht op de plek waar we wonen. Bij thuis denken we al snel aan een vastomlijnde plek waar we ons terugtrekken na werk of school. Hier voelen we ons veilig, comfortabel en zijn we in controle. We ontlenen daarom een groot deel van onze identiteit aan wat we als thuis beschouwen. Aziz (25) legt uit hoe zo’n gevoel tot stand kan komen via sociale betrekkingen:
“Zag je mijn buurman?! Hij zit altijd voor zijn deur. Hij is zo aardig, omdat hij me altijd vraagt hoe ik me voel and of ik iets nodig heb. Hij geeft ons soms ook eten. Mijn moeder spreekt geen Engels of Nederlands, maar toch groet hij haar of wuift hij naar haar. Dat maakt mij blij en geeft mij een gevoel van thuis.”
Toch is het van belang dat we het concept ‘thuis’ niet beperken tot de fysieke plek waar we wonen. Door de emotionele gevoelens en sociale relaties die plekken betekenisvol maken, kunnen we ons immers ook thuis voelen op plekken (ver) verwijderd van de fysieke structuur van een daadwerkelijk huis. We kunnen ons thuis voelen in de buurt, in een bepaald dorp of in een bepaalde stad. En natuurlijk kunnen mensen ook Nederland beschouwen als hun thuis. Met andere woorden, een thuisgevoel refereert dus naar het bestaan van emotionele relaties die mensen onderhouden met bepaalde plekken en hoe deze vorm krijgen door herinneringen, objecten en associaties. Eten kan hierin een grote rol spelen, zoals Ferhat (24) hieronder uitlegt:
“Ik was gewend altijd met mijn familie te eten, maar nu ben ik hier alleen. Sinds kort ken ik twee jongens uit Syrië, we eten vaak samen. Mijn hart is ook in Syrië. Door samen te eten, voel ik me meer thuis.”
Er wordt vaak verondersteld door beleidsmakers dat vluchtelingen een nieuw thuis opbouwen zodra zij zich in Nederland vestigen. Denk bijvoorbeeld aan beleid dat mensen geen twee paspoorten mogen hanteren of dat nieuwkomers door de inburgering hun voormalige culturele identiteit moeten loslaten om een nieuwe identiteit aan te nemen. Maar een gevoel van thuis is geen zero-sum game. Iedereen die een keer is verhuisd weet dat het oude ‘thuis’ altijd blijft voortbestaan en niet zomaar verdwijnt. Men blijft altijd door herinneringen, emoties en relaties verbonden. In het geval van Ferhat is duidelijk dat een thuisgevoel bij Syrië samengaat met het thuis voelen in Nederland; mensen kunnen zich thuis voelen op meerdere plekken tegelijk.
‘Aankomst-infrastructuren’
Een ander idee om de belevingswereld van migranten en vluchtelingen ruimtelijk te duiden is door te kijken naar sociale infrastructuren die hun aankomst vergemakkelijken, bespoedigen of prettiger maken, zogenaamde ‘aankomst-infrastructuren’. Deze infrastructuren zijn vaak opgezet door ervaren ‘voormalig’ migranten die met het aanbieden van diensten het vestigingsproces van nieuwkomers ondersteunen. Zulke plekken worden vaak gezien als een sociale ruimte die haar betekenis ontleent aan de manier waarop zij in verbinding staat tot plekken ‘elders’, waarbij relaties met andere mensen, objecten, instituties, ideeën, normen en waarden centraal staan. Je kunt hierbij denken aan valutakantoren, reisbureaus, (super)markten, restaurants, juridische hulp en culturele instellingen. Helemaal als nieuwkomers worden gediscrimineerd of gemarginaliseerd kunnen deze relaties werken als momenten van zorg, empathie en heling.
In mijn onderzoek was een belangrijke aankomst-infrastructuur de Turkse supermarkt. Hevdem (30) en Mahmoud (30) vertellen,
“De Turkse supermarkt is een plek om mensen te ontmoeten. Het is lastig in contact te komen met Nederlanders, maar hier is het geen probleem. Soms duurt het daardoor wel lang, want mensen blijven maar praten en praten over van alles en nog wat.”
“Wij eten alleen Halal vlees. Daarvoor moeten we naar de slager in de stad. Maar de bus is duur! Dat is een groot probleem voor ons. Maar soms als we een grote bestelling doen dan brengt de slager het naar ons. Hij snapt onze situatie.”
De Turkse supermarkt is een plek waar veel Syriërs relatief bekend terrein treffen. Het is een plek die velen als thuis ervaren, omdat de supermarkt niet alleen een plek is waar ze boodschappen doen, maar waar ze ook relaties onderhouden en een gevoel van samenhorigheid ervaren. Bovendien leren ze hier veel van andere migranten over hoe de Nederlandse maatschappij werkt. Tegelijkertijd zijn aankomst-infrastructuren niet overal te vinden. In de grote steden is dit geen probleem, maar bijvoorbeeld in Noord-Nederland zijn dit soort plekken schaars. Zoals hierboven beschreven, bevorderen deze plekken de integratie voor mensen die toegang hebben, maar het gevolg is dat mensen zonder toegang deze kansen niet hebben.
“Integratie wordt gebruikt als speelbal van politieke en ideologische opvattingen“
Integratiewoestijnen
De inzichten die geografen hebben ontwikkeld rondom ontmoetingen, thuisgevoelens en aankomstinfrastructuren laten zien dat je kan spreken van integratiewoestijnen in Nederland, plekken waar vluchtelingen minder goed in staat zijn om te integreren. Daartegenover staan integratie oases, plekken die voorzien in aankomst-infrastructuren en ontmoetingen met gelijken en de ‘ander’ zodat mensen snel een thuisgevoel creëren. Omdat de Nederlandse overheid vluchtelingen grotendeels beperkt om te verhuizen, krijg je hierdoor een ongelijk speelveld. Het leven in de woestijn vraagt om aanpassingen. De woestijn is immer een vijandige omgeving voor hen die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de barre omstandigheden. Echter, zoals ook met andere vormen van sociale ongelijkheid, betekent het natuurlijk niet dat vluchtelingen geen veilig en comfortabel kunnen leiden. Je kunt alsnog winnen met een slechte hand. De vraag is echter wat zij hebben opgegeven om daar te komen. Eén vluchteling die de taal spreekt en een baan heeft zegt niets over de grotere groep die dat ontbeert.
Meer aandacht voor wetenschappelijke kennis over de lokale context kan helpen om de effecten van verwoestijning te verminderen, bijvoorbeeld door lokale condities te gebruiken om maatwerk te verschaffen. Toch is er weinig aandacht voor wetenschappelijke inzichten, omdat integratie als speelbal van de politiek en ideologische opvattingen gebruikt wordt. Sterker nog, beleid werkt vaak contraproductief als het gaat om een progressieve aanpak van migratie. Een vluchteling wordt vaak zelf verantwoordelijk gehouden voor zijn of haar succes dan wel falen. Dit past in een algehele maatschappelijke tendens om de schuldvraag bij personen zelf neer te leggen. Immers, als jij er wat van wilt maken, dan maak je er toch gewoon wat van?! Op basis van wetenschappelijke inzichten laat dit artikel zien dat het niet zo simpel ligt. In plaats van een afrekeningsbeleid zou de overheid meer moeten doen aan goed werkende instituties die vluchtelingen juist ondersteunen waar dat nodig is.
Literatuurselectie
Glorius, B., Kordel, S., Weidinger, T., Bürer, M., Schneider, H. and Spenger, D. (2020). Is social contact with the resident population a prerequisite of well-being and place attachment? The case of refugees in rural regions of Germany. Frontiers in Sociology, 5, 578495.
Huizinga, R.P. and van Hoven, B. (2018). Everyday geographies of belonging: Syrian refugee experiences in the Northern Netherlands. Geoforum, 96, 309-317.
Liempt, I. van and Miellet, S. (2021). Being far away from what you need: the impact of dispersal on resettled refugees’ homemaking and place attachment in small to medium-sized towns in the Netherlands. Journal of Ethnic and Migration Studies, 47(11), 2377-2395.
Rik Huizinga (r.p.huizinga@uu.nl) is Universitair Docent Geografie, Migratie en Jeugd bij de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Dit artikel is gebaseerd op zijn proefschrift ‘Making home in forced displacement: Young Syrian men navigating everyday geographies of migration, belonging and masculinities in the Netherlands.’
