Rik Huizinga

“Jonge Syrische asielzoekers zorgen voor overlast rondom Utrecht Centraal”. Volgens media en lokale bewindvoerders komen zij naar het Stationsgebied voor ‘vertier’, ‘vechterij’ en de ‘mogelijkheid om diefstallen te plegen’. Dit schetst niet alleen een onvolledig beeld, maar draagt ook bij aan de constructie van een nieuwe groep ‘stedelijk ongewensten’. Wat gaat er wel schuil achter dit hanggedrag, en waarom wordt hun aanwezigheid in de openbare ruimte zo sterk uitvergroot?
Dit artikel is een antwoord op een veelvoud aan mediaberichten in 2025 waarin wordt bericht over een groeiende groep jongens en jonge mannen van voornamelijk Syrische afkomst die verdacht worden van overlast, diefstal en geweld rondom Utrecht Centraal. De aanwezigheid van deze jonge Syriërs in de openbare ruimte in en rondom het station doet de laatste tijd nogal wat stof opwaaien. Echter, de storm waarmee het nieuws door media wordt gebracht gaat elke keer ook weer rap liggen. Met andere woorden, het ‘wangedrag’ lijkt zich op het moment van schrijven van dit artikel vooral af te spelen in het gezichtsveld van mensen die voorheen niet op de hoogte waren van deze problematiek. Die vond namelijk plaats buiten hun gezichtsveld. Dit wordt in de loop van 2025 goed zichtbaar in de vorm van een buitenproportionele, vijandige en gemediatiseerde reactie op de situatie.
Wat is er gebeurd? Van de meer dan 1.800 incidenten geregistreerd rondom Utrecht Centraal door de politie in de loop van 2025, geeft de gemeente Utrecht aan dat het overgrote deel van de overlastgevers bestaat uit Syrische jongeren. RTV Utrecht bericht op 24 Oktober 2025 dat volgens de gemeente de meest recente cijfers laten zien dat het gaat om 162 verschillende personen, waarvan er 37 in Utrecht verblijven en 94 in een opvanglocatie elders in het land. Van 31 is de verblijfslocatie niet bekend. De jongeren worden verdacht van intimideren, bedreigen, bestelen en het plegen van geweld. Er zou sprake zijn van vecht- en steekpartijen, zakkenrollerij, intimidatie van lhbti+-ers en veelvuldig drugsgebruik, waaronder ook verslavende medicatie. Ondernemers rondom het station geven bovendien aan dat er veel diefstal plaatsvindt, en dat deze producten vervolgens meteen worden verkocht op straat. Tegelijkertijd geven instanties aan weinig feitelijke informatie te bezitten. Duidelijk is wel dat het een minderheid betreft gezien de ruim 15.000 Syrische jongeren die in Nederland verblijven. Toch zijn de jongens de ideale zondebok voor media, online forums en politici, namelijk een groep die een bedreiging vormt voor verworven rechten en beschaving in Nederland.
Dit is een klassiek voorbeeld van het ‘Engel-Duivel’ discours welke centraal staat in de ‘Geografie van de Jeugd’ literatuur; het beschrijft hoe jongeren binnen de maatschappij worden gedefinieerd door de verwachtingen en angsten van volwassenen, vaak via een opdeling in twee tegenpolen. Zo stellen Valentine en Holloway in Children’s Geographies vast dat sommige jongeren worden neergezet als brave, kleine engelen. Zij vormen onschuldige slachtoffers die beschermd moeten worden van een kwade buitenwereld. Andere groepen jongeren worden neergezet als immorele, kleine duivels. Zij vormen een gevaar voor de volwassen wereld en moeten juist beteugeld worden. Hoewel in beide gevallen jongeren worden geconstrueerd als inherent onhandelbaar, past juist bij jonge duivels een regime van discipline. De alledaagse gevolgen hiervan zijn paternalistisch of neerbuigend gedrag van volwassen richting jongeren, maar ook ingrepen zoals surveillance, controle en inperking van vrijheden.
Wanneer we bovenstaande analyse volgen lijkt het duidelijk dat de rondhangende Syrische jongeren in de categorie ‘duivel’ vallen. Het leidt daarmee af van de onderliggende redenen waarom deze jongeren zich ophouden op het station. Het verbloemt ook waarom zij als kinderen en jongvolwassenen in de steek gelaten worden ondanks opgelopen trauma’s en moeilijke omstandigheden. Immers, ondanks dat de overheid wettelijk verantwoordelijk is voor het welzijn van deze asielzoekers, hebben zowel het NIDOS – de Nederlandse jeugdbescherming voor vluchtelingen – als de Kinderombudsman eerder aangegeven dat de zorg ruim ondermaats is. Dit gaat om onderbroken zorgtrajecten, gebrekkige hygiëne, onveiligheid en locaties die niet geschikt zijn voor jongeren. Vanwege de uitzichtloosheid die zij ervaren in het asielsysteem glijden zij langzaam af. Het belangrijkste probleem hier is dus dat de situatie zoals hierboven beschreven vooral voor de jongens zelf gevaarlijk is, waardoor hun prille leven op deze manier al vroeg benadeeld wordt. De vraag is daarom, wat doen ze daar, en waarom kunnen ze nergens anders terecht? Kortom, waar worden ze in de steek gelaten? En wat is de rol hierin van de morele paniek rondom jonge migranten, zoals deze groep jongeren met een Syrische afkomst?
Ik wil dus niet het veronderstelde gedrag waarover bericht wordt goedpraten. Integendeel. In een tijd waarin de vrijheid van veel mensen in de publieke ruimte onder druk staat blijft het belangrijk om je tegen ervaren wangedrag uit te spreken. Wel zoekt het naar onderliggende verklaringen vanuit een geografisch jeugdperspectief om te wijzen op complexiteit en nuance.
Duivelse jongeren als maatschappelijk ongewensten
Het bestempelen van jeugd door stereotypes als losbandig, gevaarlijk en een bron van antisociaal gedrag is van alle tijden. Zo lijkt elke generatie een bepaalde groep jongeren of jeugdcultuur die uit het keurslijf wil treden als problematisch te beschouwen en als een gevaar te zien voor de heersende burgerlijke moraal. Denk bijvoorbeeld aan de ‘nozems’, ‘hippies’ of de ‘gabbers’. Echter, jeugdculturen zijn in toenemende mate belangrijk in de huidige maatschappij waarin niet alleen volwassenen meer een rolmodel zijn. Andere jeugdgroepen spelen een rol in het verkennen van alternatieve ideeën over het leven en de maatschappij. Identiteitsontwikkeling is daarmee deels een doe-het-zelf proces in plaats van het gebaande pad van volwassen te volgen. Het is uitermate belangrijk voor jongeren om verschillende rollen aan te nemen en uit te proberen wat zij vinden dat passend is. Immers, jongeren zetten zich niet alleen af tegen volwassenen, maar zetten zich daarmee eigenlijk vooral af tegen een gevestigde orde met vastomlijnde normen en waarden. En deze vastomlijnde normen en waarden passen vaak niet meer in tijden van maatschappelijke verandering en verdienen daarom een ‘update’. Zo plaveide de hippiebeweging de weg voor belangrijke hedendaagse verworvenheden zoals seksuele vrijheid en persoonlijke expressie, maar werden zij in de jaren 60 en 70 als onmaatschappelijk en asociaal gezien.
Al in 1959 schrijven D.E. Krantz en E.V.W. Vercruijsse in hun boek De jeugd in het geding dat de ‘losgeslagen jongeren’ uit die tijd niet zozeer het probleem vormen. Het zijn volgens deze auteurs vooral bekrompen volwassenen die te krampachtig vasthouden aan conventionele waarden en toelaatbaarheidsgrenzen voor het gedrag van kinderen en jeugd die in de tijdsgeest als de norm worden beschouwd. De stigmatisering van jongerengroepen is daarmee eigenlijk een weerspiegeling van een bredere sociale angst over maatschappelijke controle, moraliteit en de toekomst. Wanneer we terugkeren naar de huidige tijd, komt dit momenteel duidelijk naar voren in het debat in Nederland over migratie. Hierin wordt veelal gesproken over een verondersteld ‘integratieprobleem’; de normen en waarden van voornamelijk jonge migranten of kinderen van migranten passen niet bij de zogenaamde Nederlandse culturele identiteit. Waar dit voorheen nog werd bestempeld als het ‘Marokkanenprobleem’, hebben jonge mannelijke migranten sinds 2015 deze rol toegespeeld gekregen in plaats van Marokkaanse jongens. Het zijn dus eigenlijk de zorgen van volwassenen geprojecteerd op de lichamen van deze jonge Syrische mannen.
“Het bestempelen van jeugd als losbandig is van alle tijden“
Deze projecties hebben desalniettemin gevolgen voor het alledaagse leven van deze jonge migranten. We weten vanuit studies die zich bezig houden met discours dat maatschappelijke beeldvorming – zoals het beeld dat nu wordt geschetst over Syrische jongens en jonge mannen – op een systematische manier de objecten beïnvloedt waarover zij spreekt. Uit mijn eigen onderzoek blijkt dat Syrische jongens vaak op de hoogte zijn van de racistische en xenofobische verhalen die er rondgaan over hen. Met andere woorden, het beeld dat wordt opgeroepen in de media gaat daadwerkelijk ‘leven’ aangezien zowel Syrische jongens en mannen alsook de mensen in hun omgeving hun wereldbeleving hierop aanpassen. Zelf zijn zij bijvoorbeeld meer alert en letten zij meer op hun gedrag in de openbare ruimte om niet op te vallen. Daarnaast leidt het in veel stedelijke buurten en gemarginaliseerde gemeenschappen vaak tot toegenomen waakzaamheid, toezicht en regulering vanuit instanties in de vorm van politiepatrouilles en aanhoudingen. Echter vaak hebben dit soort maatregelen niet het gewenste effect; het probleem verergert of verplaatst zich simpelweg naar een andere plek.
Vergeten in de asielketen
Er wordt dus veel gepraat over jonge mannelijke migranten en vluchtelingen, maar we vinden maar weinig informatie uit gesprekken met deze jongeren. In de berichtgeving in kranten wordt dit deels verklaard door een zwijgcultuur onder de jongeren. Voor instanties is het moeilijk grip te krijgen op de belevingswereld van deze jongeren, deels ook omdat zij zelf niet graag in beeld zijn bij media of hulpverlening door eerdere negatieve ervaringen met autoriteiten. Ze wachten immers vaak nog op een beslissing rondom hun asielclaim of ze spelen een cruciale rol in de asielclaim van hun familieleden. Daarnaast is het lastig een nieuwe, onbekende maatschappij te navigeren qua wet- en regelgeving. Jongeren voelen zich vaak overspoeld met informatie over wet- en regelgeving – denk aan mogelijkheden voor een opleiding of werk – en krijgen hierin niet altijd goede begeleiding. Met andere woorden, er rust een enorme druk op de schouders van deze jongens, terwijl het eigenlijk nog kinderen en jongvolwassenen zijn die in een kwetsbare fase van hun leven verkeren. Migrantenjongeren en dan met name jongens worden jammer genoeg zelden bekeken en onderzocht met het oog op kwetsbaarheid in zowel het publiek als academisch debat.
“We vinden maar weinig informatie uit gesprekken met deze jongeren“
Voor deze kwetsbare jongens verloopt die ontwikkeling naar zelfstandigheid namelijk niet vanzelfsprekend waardoor zij vanwege uiteenlopende redenen extra hulp of ondersteuning nodig hebben. Opvangtehuizen en asielzoekerscentra’s liggen vaak ver weg van wat zij eigenlijk nodig hebben qua voorzieningen en activiteiten. Jonge migranten willen ook graag sporten, meedoen in verenigingen, spelen of ergens rondhangen met leeftijdsgenoten. Tegelijkertijd neemt hun asielaanvraag vaak veel tijd in beslag door lange wachtrijen, waardoor zij geruime tijd in onzekerheid leven met de vraag of zij wel mogen blijven. Maar zoals andere jongeren in Nederland, hebben jonge migranten een stabiele, veilige en beschermende omgeving nodig. Op die manier kan hun welzijn tot op zekere hoogte gegarandeerd worden, en kunnen zij zich ontwikkelen en werken aan hun toekomst. Continuïteit in de steun die zij ontvangen is daarbij van belang, net als stabiele toegang tot onderwijs, dagbesteding en zorg.
Het probleem is dat het lastig is om in de transitie naar volwassenheid de hulp en ondersteuning zo in te richten dat deze aansluit bij deze jongeren. Een groot vraagstuk is het aanbod aan opvangplekken. Voldoende opvangplekken die geschikt zijn voor minderjarigen vormen namelijk een essentiële voorwaarde als het gaat om het welzijn, de ontwikkeling en de deelname aan de samenleving van jongeren. Dat zijn zaken waar de overheid wettelijk verantwoordelijk voor is. De afgelopen jaren, concludeert NIDOS, was er sprake van een dergelijk tekort. Daarom bieden op dit moment de opvangplekken onvoldoende rust, structuur en persoonlijke aandacht voor deze jongeren. Omdat jongeren in noodopvanglocaties regelmatig moeten verhuizen hebben ze onvoldoende toegang tot onderwijs, zorg en structurele dagbesteding. Deze omstandigheden zorgen dat jongeren kampen met stress en dat hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en verantwoordelijkheid stagneert. En dan gaan ze op zoek naar andere plekken voor steun.
Een ‘plotse golf’ van overlast, diefstal en geweld in het Stationsgebied
Goed, wat doen ze dan op het station? Uit onderzoek naar jonge migranten blijkt dat veel van deze jongeren elkaar hebben leren kennen in het asielzoekerscentrum of opvanglocatie. Dit is een belangrijke formatieve periode in de levens van jonge mensen omdat dit een tijd is van onzekerheid en onduidelijkheid, en vaak wordt ervaren als uitzichtloos. De steun van anderen in deze periode is daarom extra betekenisvol. Jonge migranten kunnen immers de geleefde ervaring vaak niet delen met ouders, familie en verzorgers. Daardoor ontstaan belangrijke vriendschappen tussen deze jongens. Deze vriendschappen zijn gebaseerd op gedeelde ervaringen met onrechtvaardigheid en worden gekenmerkt door een grote onderlinge solidariteit.
Daarom zoeken ze elkaar op, waarbij het station een logische, centrale plek is aangezien ze door de vele verhuizingen vaak op verschillende plekken in het land wonen. De centrale ligging van Utrecht Centraal biedt dan uitkomst. Het is vaak het eerste grote centrale station dat jongeren tegenkomen als zij hun woonplaats verlaten. Bovendien zijn Utrecht Centraal en het Stationsplein in deze context interessante plekken. Er is een grote doorstroom aan mensen, en er is veel activiteit en publiek. Van oudsher is het station een plek waar zich veel gemarginaliseerde groepen ophouden. Volgens stadscriminoloog Mattias De Backer is deze plek van marginaliteit en criminaliteit iets wat bepaalde groepen jongeren juist graag opzoeken om aandacht te krijgen en gezien te worden. De stad is immers een plek van uitwisseling en sociale betrokkenheid. Een nieuwkomer in een maatschappij kan hier anderen ontmoeten, wat in theorie zou moeten bijdragen tot verbinding en herkenning tussen onbekenden, maar ook kan leiden tot conflict. In het geval van de Syrische jongeren lijkt hier het tegenovergestelde te gebeuren. Het contact dat zij hebben met andere groepen lijkt juist de stereotype beelden rondom hun aanwezigheid te versterken.
Deze frictie ontstaat waar verschillende groepen het Stationsgebied in Utrecht voor verschillende doeleinden gebruiken. Reizigers willen zo snel mogelijk van A naar B, terwijl recreanten juist op zoek zijn naar een praatje of vertier. Er is over het algemeen een wetmatigheid in de Nederlandse publieke ruimte om elkaar niet te storen. Maar deze jongeren doen het tegenovergestelde. Zij zijn op zoek naar menselijk contact, en manieren om de grenzen van het toelaatbare te verkennen in een omgeving waar zij weinig discipline opgelegd krijgen. Tot op zekere hoogte ervaren zij daarmee eigenaarschap, door voor zichzelf ruimte te claimen op een openbare plek. Het is dus niet verwonderlijk dat groepen jongeren Utrecht Centraal opzoeken om samen te ‘hangen’.
“Van oudsher is het station een plek van marginaliteit“
Publieke ruimte als vierde opvoedingsmilieu
Eerder werd in AGORA al eens geschreven over de belangrijke rol van de publieke ruimte in het ontwikkelen van identiteit en een moreel kader. Je kunt dus spreken over de publieke ruimte als vierde opvoedingsmilieu naast thuis, school en georganiseerde of formele vrijetijdsbesteding (bijvoorbeeld sportclubs of jeugdwerk). Dit komt door de specifieke kenmerken van deze ruimte. Er is over het algemeen een relatieve afwezigheid van controle en autoriteitsfiguren. En er is diversiteit op het vlak van verschillende gebruikers van de publieke ruimte. Het is specifiek van belang voor jonge asielzoekers en vluchtelingen aangezien zij vaak geen andere plekken hebben die wij traditioneel zouden classificeren als opvoedingsmilieu. Thuis is immers een sociaal iets, en als je alleen woont is het moeilijk om een thuis te maken. Daarnaast mogen veel van deze jongeren niet werken of naar school zolang hun asielaanvraag nog loopt.
Jongeren, zoals de Syrische asielzoekers, geven daarom ook vaak aan dat zij gewoon ergens willen chillen of hangen. Vanuit de literatuur weten we dat dat een universele wens is onder jongeren. Dit benadrukt het belang van het bestaan van plekken waar je gewoon lekker ‘niets kan doen’. En dat staat op spanning met het stationsplein in Utrecht waar de publieke ruimte – voor zover die openbaar is – verschillende functies kent. Het is daarnaast ook meer een gereguleerde plaats geworden door een groeiende maatschappelijke drang naar beveiliging en economische drijfveren zoals consumptie. Dit heeft tot gevolg dat er privatisering optreedt van de ruimte en dat er meer controle is op de ‘stedelijke ongewensten’. Het gevolg is een onaangename plek, en bovendien een plek die jongeren op zoek naar veiligheid en geborgenheid niet laat zien hoe het moet. Door deze ontwikkelingen verliest de openbare ruimte daardoor langzaam haar belangrijke rol voor jongeren, een plek die bijdraagt aan hun transitie naar volwassenheid.
Toch is het belangrijk betekenis te geven aan de acties van deze Syrische jongeren. In haar boek Adventure Capital beschrijft Julie Kleinman hoe West-Afrikaanse jonge migranten op Gare Du Nord in Parijs hun stempel achterlaten op het station. In de context van falende instituties beschrijft ze hoe deze jongeren andere manieren vinden om sociale netwerken op te bouwen en economische integratie te bewerkstelligen. Hierbij gaan ze soms ook over de grens. Ze overtreden regels en maken oneigenlijk gebruik van de openbare ruimte in het Stationsgebied in hun missie om ertoe te doen en gezien te worden. Ook de Syrische jongens zijn actief bezig met hun toekomst, en vragen daar aandacht voor. Er vindt onderling veel zorg plaats, waarbij ze elkaar proberen te helpen via emotionele en praktische manieren. Ook deze sociale relaties en handelingen geven het Stationsgebied betekenis hoewel dit vaak wordt vergeten. Het pijnlijke is dat deze vriendschappen – zoals wel vaker met vriendschappen gevormd door jongeren in precaire omstandigheden – niet altijd leiden tot wenselijke situaties. Vanwege loyaliteit en groepsdruk is er altijd een risico dat de ene jongere de andere meesleept in ongewenst of crimineel gedrag.
“Jonge mannelijke migranten zijn daarbij de ideale zondebok“
Via vroegsignalering naar liefde en erkenning
Er liggen meerdere verklarende variabelen ten grondslag aan het gedrag van de Syrische jongeren op Utrecht Centraal en de manier waarop naar hun aanwezigheid in het Stationsgebied wordt gekeken. Hoewel de openbare ruimte voor iedereen lijkt bedoeld vanwege de veronderstelde toegankelijkheid en neutraliteit, is in de praktijk niet iedereen altijd even gewenst. Dit heeft vooral te maken met de maatschappelijke angst voor groeiende criminaliteit onder jongeren en dan met name jongeren met een migratieachtergrond. Het gedrag van jongeren wordt dan vaak gepresenteerd als een bedreiging voor de sociale orde en de moraliteit. Hierbij spelen massamedia en politieke discoursen vaak een belangrijke rol aangezien deze de morele paniek verspreiden en versterken. Het probleem is dus dat het kan leiden tot stigmatisering, discriminatie en het onterecht vastleggen van jongeren als probleemgroep zonder aandacht te hebben voor de nuance en specifieke behoeften van de jongeren. Bovendien kan de angst vanuit jongeren voor morele paniek jongeren belemmeren in hun groei en ontwikkeling. Het is belangrijk om te begrijpen hoe deze paniek werkt en welke impact ze kan hebben, zodat we kunnen werken aan een meer constructieve en begripvolle manier van omgaan met jongeren.
Er is aan de ene kant een belangrijke rol voor jeugdwerkers weggelegd om door middel van vroegsignalering de excessen zoals beschreven in dit artikel te voorkomen. Zij kunnen een rol als bemiddelaar innemen en het vertrouwen winnen van deze jongen door laagdrempelig contact. Zij kunnen de jongeren een stem geven wat ertoe bij kan dragen dat zij zich gezien en geliefd voelen. Aan de andere kant is er politieke wil nodig. Het is belangrijk om deze gebeurtenissen te plaatsen in een groter debat over wie geaccepteerd wordt in de maatschappij en wie niet. Het aanwijzen van groepen als ongewenst omdat hun normen en waarden zogenaamd zouden indruisen tegen verworven rechten en beschaving in Nederland is problematisch. Jonge mannelijke migranten zijn daarbij de ideale zondebok, omdat er toch al vaak niet naar hen geluisterd wordt.
Literatuurselectie
Holloway, S.L. & Valentine, G. (2000)(Eds.). Children’s geographies: Playing, living, learning. London: Routledge.
Krantz, D.E. & Vercruijsse, E.V.W. (1959). De jeugd in het geding. Amsterdam: Uitgeverij De Bezige Bij.
De Backer, M. (2019). Regimes of visilibity: Hanging out in Brussels’ public spaces. Space and Culture, 22 (3), 308-320.
Kleinman, J. (2019). Adventure capital: Migration and the making of an African hub in Paris. Oakland: University of California Press.
Rik Huizinga (r.p.huizinga@uu.nl) is universitair docent Geografie van de Jeugd. Hij is verbonden aan het departement Sociale Geografie en Planologie van de Universiteit Utrecht. Het artikel is gebaseerd op lopend onderzoek naar de alledaagse ervaringen van Syrische jongeren in Nederland.
