Europese krijgsmacht : Realisme of wensdenken?

Emiel Maliepaard

(Bron: Christian Lue via Unsplash)

Sinds de tweede termijn van Trump weten Europese NAVO-landen dat ze niet meer blind kunnen vertrouwen op Amerikaanse hulp bij een conflict in continentaal Europa. Is een Europese krijgsmacht een oplossing, zoals gesuggereerd wordt in de politiek? Geografische perspectieven kunnen belangrijke inzichten geven voor deze politiek-strategische en militaire vraag.

Europa is wakker geschrokken door de Russische inval in Oekraïne, de verdediging van Europa is weer belangrijk. Europa heeft enkele decennia kunnen leven met het idee dat de Koude Oorlog over was, maar de afgelopen twaalf jaar laten een agressieve buitenlandpolitiek van Rusland zien. Europese landen konden lang vertrouwen op het Amerikaanse militair-industriële complex en de Amerikaanse politiek dat ervoor zorgde dat de NAVO een geloofwaardige afschrikking bood met industriële productie, militairen en materieel.  Dit is nu minder het geval. Trump verwijst naar Europese landen als klaplopers die onder de Amerikaanse veiligheidsparaplu willen leven, maar zelf niet willen betalen voor de eigen veiligheid. Bovendien ligt de focus van de Verenigde Staten al jaren op China als gevaar voor de hegemonie van Amerika. In de woorden van een belangrijke adviseur van de US National Security Agency: Russia is a tornado, China is climate change.

De NAVO, een van oorsprong Europees initiatief om eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te beschermen tegen de Sovjet-Unie (en later het Warschaupact), moet meer Europees worden. Europa moet strategisch onafhankelijk van de Verenigde Staten kunnen opereren. Verscheidene politici, met name op de linkerflank van het politieke spectrum, ijveren voor een Europese krijgsmacht of, zoals het in de volksmond wordt genoemd, een Europees leger. Is dit realistisch?

Tweelingsteden
Dezelfde spanning tussen samenwerking en ongelijkheid die Europa internationaal parten speelt, weerspiegelt zich op kleinere schaal in tweelingsteden. Het concept tweelingsteden (of tweelingdorpen) refereert aan binationale steden zoals Görlitz-Zgorzelec en Frankfurt an der Oder-Stubice. Steden en dorpen die feitelijk gescheiden zijn door een lands- en riviergrens, veelal het resultaat van veranderde landsgrenzen vanwege of na een oorlog. Bovengenoemde steden zijn in 1945 gescheiden na de Tweede Wereldoorlog, zowel op de Balkan en in de Baltische staten zijn een aantal tweelingsteden ontstaan na het einde van de Koude Oorlog. Professor Schultz heeft hier uitgebreid over geschreven: hoewel tweelingsteden vaak als een paradepaartje van Europese integratie, of als laboratoria voor Europese integratie worden gezien, blijkt de werkelijkheid complexer.

Schultz noemt een aantal punten die kwetsbaarheid laten zien. Ten eerste de taal: veel inwoners, en met name die van de “grote broer” van het stedenkoppel spreken enkel de eigen taal, daar waar de minderheidsgroep vaker de taal van de grote broer moet spreken. Ten tweede zijn er verschillen in welzijn of welvaart tussen inwoners van beide steden wat bij de “rijkere broer” kan leiden tot negatieve vooroordelen en wantrouwen richting (inwoners van) de armere stad. Bovendien zorgt dit, dit is het derde punt, voor economische verschillen: verschillen in loon en verschillen in diensten, zowel in kwantiteit als in kwaliteit, kunnen leiden tot een disbalans in sociaal en economisch verkeer: eenrichtingsverkeer in plaats van tweerichtingsverkeer. Ten vierde is veelal sprake van gemarginaliseerde steden met kleine bevolkingsaantallen, liggend in een meer perifeer gebied, en zijn er weinig middelen om daadwerkelijk de situatie in beide steden te verbeteren.

Grensoverschrijdende samenwerking is daarbij noodzakelijk in het kader van wat ook “gezamenlijke aanschaf en gebruik”wordt genoemd: enkel door kostendeling kunnen projecten of diensten worden opgestart of in stand worden gehouden. Schultz bespreekt hierin drie niveaus van samenwerking; samenwerking in projecten (meer ad hoc), samenwerkingen die duurzaam ingeregeld zijn en daadwerkelijke binationale instituties die verantwoordelijk zijn voor een bepaald thema (bijv. waterhuishouding). Samenwerking tussen tweelingsteden is niet per definitie een coalition of the willing of vanuit een bepaald idealisme maar veelal een samenwerking vanuit schaarste en noodzaak.

Görlitz-Zgorzelec
De Duitse geograaf Teufel maakte gebruik van Lefebvre’s spatial triad om de productie van ruimte en binationale integratie te onderzoeken binnen de door de Neisse gescheiden Görlitz en Zgorzelec. Het Duitse Görlitz (ca. 55.000 inwoners) en het Poolse Zgorzelec (ca. 33.000 inwoners) zijn als uitvloeisel van de Conferentie van Potsdam (1945) gescheiden door de opschuiving van de Poolse grens naar de Oder-Neissegrens. Lefebvre’s triade gaat uit van de representatie van ruimte, ervaringen van sociaal-ruimtelijke activiteiten (practices ofwel dagdagelijkse praktijken) en persoonlijke en collectieve betekenisgeving van de ruimte. Populair gezegd gaat de representatie van ruimte vooral over hoe de ruimte, in dit geval de tweelingsteden, in de etalage worden gezet door allerlei visuele uitingen, symboliek, concepten en materiële routines. De Europese Unie en Europastadt Görlitz/Zgorzelec zijn duidelijk aanwezig in het stadsbeeld met uitingen en logo’s, in Görlitz staat het Europahaus en tegenwoordig zijn er geen grenswachten meer op de bruggen die beide steden verbinden. Representaties die wijzen op een van bovenaf ingestoken integratie, maar de focus op de dagdagelijkse praktijken en ervaringen vertoont een ander beeld.

Qua dagdagelijkse activiteiten is veelal sprake van grensoverschrijdend consumentisme en minder van grensoverschrijdend burgerschap, zo concludeert Teufel. Tot op zekere hoogte zijn beide steden ingericht op de consument uit beide steden, hoewel vooral winkels in Zgorzelec Duitse bezoekers trekken en omgekeerd minder. Op gebied van cross-border burgerschap schetst hij een ander beeld, er is weinig sociale integratie tussen Duitse en Poolse inwoners van de tweelingsteden en zijn, opvallend genoeg, sociale activiteiten meer te vinden in Görlitz. Geïnterviewde inwoners uit beide steden hebben moeite met de gebruikte symboliek en zien een discrepantie tussen de symbolen van eenheid en vooruitgang versus de dagdagelijkse praktijken en ervaringen. Ze ervaren verschillen in kennis en mentaliteit en moeilijkheden om “de ander” te vertrouwen wat laat zien dat de sociale integratie beperkt is, in de eerste plaats door de taalbarrière die aanwezig is. Op basis van interviews concludeert Teufel dat het nog generaties kan duren voordat er echte integratie is.

Men is niet enkel pessimistisch over de sociale integratie. Door het lidmaatschap van Polen in de Europese Unie en Schengen groeit er nu een generatie op die niet de grens moet oversteken met paspoort- en douanecontroles, waarbij mogelijk een fysieke en mentale barrière is geslecht voor integratie van de tweelingsteden.

Kijkend naar de persoonlijke en collectieve betekenisgeving is geen sprake van een collectieve identiteit of beeld van de tweelingsteden als een goed voorbeeld van integratie. Het verhaal van Görlitz-Zgorzelec is niet een verhaal van één stad, maar van twee steden waar voor de Duitse kant Zgorzelec verloren is gegaan en aan de Poole kant er sprake is van het ontwikkelen van een nieuwe identiteit buiten de Duitse geschiedenis om. Desalniettemin concludeert Teufel dat er aan Poolse zijde een groeiende identificatie is met beide steden. Dit kan ook betekenen dat er weinig tot geen identificatie is met het project Europastadt Görlitz/Zgorzelec; er is waarschijnlijk geen gedeelde of samen geproduceerde cultuur wat wel passend is bij een integratie.

Europese militaire samenwerking: context
Politici zoals Dassen (Volt) en Timmermans (PvdA-GroenLinks) en recent ook De Wever (N-VA), Vautmans (Open VLD) en Beke (CD&V) ijveren voor een Europees leger, als antwoord op de toenemende barstjes in de band met de Verenigde Staten onder Trump. Dit is niet los te zien van de staat van Europese krijgsmachten: in opbouw na jarenlang innen van vredesdividend. Europese landen moeten hun eigen broek ophouden en kunnen dit (nog) niet. In zekere zin is gezamenlijke aankoop en gebruikeen belangrijk aspect van de wens voor een Europees leger, evenals het vergroten van de gezamenlijke slagkracht.

Helaas maken voornoemde politici niet duidelijk hoe zij een Europees leger voor zich zien. Realiteit is dat al jaren wordt samengewerkt, zowel in ad hoc projecten (bijvoorbeeld aanschaf van nieuwe infanteriegevechtsvoertuigen), als in duurzame samenwerkingsverbanden (aanschaf en gezamenlijk gebruik van tankvliegtuigen of de jarenlange samenwerking tussen het Nederlandse Korps Mariniers en de Britse Royal Marines) en meer geïnstitutionaliseerde samenwerkingsverbanden en integratie: zo zijn nu alle Nederlandse gevechtsbrigades ondergebracht bij Duitse divisies, bestaat er het Eerste Duits-Nederlandse Legerkorps en werken de Belgische, Nederlandse en Luxemburgse marines samen binnen één hoofdkwartier (Admiraliteit Benelux) en zijn er afspraken over gemeenschappelijke aankoop van schepen, opleiding van personeel en het varen met gemengde bemanning.

Kwetsbaarheden die Schultz identificeerde voor tweelingsteden zijn relevant. Ten eerste taal. Spreken militairen dezelfde taal? Europa kent een breed scala aan talen en beheersing van de Engelse taal varieert zowel tussen als binnen landen, kijkend naar rang, opleidingsniveau, historie en geografische locatie. Naast letterlijke taal gaat het ook om figuurlijke taal: de NAVO is leidend in doctrine- en procedurevorming, maar landen geven soms een eigen interpretatie aan deze doctrines en procedures. Dit kan leiden tot verwarring en minder functioneren. Figuurlijk dezelfde taal spreken hangt ook samen met culturele aspecten: er zijn verschillende landsculturen, maar ook verschillende krijgsmacht-culturen, bijvoorbeeld op gebied van aansturing, hiërarchie, mandaten, omgangsvormen en meer.

Ten tweede zijn er ook welvaarts- en welzijnsverschillen tussen Europese landen. Belangrijke aspecten zijn de grootte van landen, qua inwoneraantal en qua economie. Noord- en West-Europese landen zijn economisch sterker dan bijvoorbeeld de Baltische staten of NAVO-bondgenoten op de Balkan. Welvaarts- en welzijnsverschillen kunnen een rol spelen in vertrouwen en wantrouwen. Een duidelijk voorbeeld is hoe de Verenigde Staten als economisch machtigste land, en met meer dan 300 miljoen inwoners, een dominante rol speelt binnen de internationale politiek en internationale militaire wereld. Binnen Europa spelen dergelijke discussies ook tussen “grote” en “kleine” landen, zowel politiek als tussen krijgsmachten van verschillende landen. Welke landen zijn “de grote broer” en welke “het kleine broertje?”

Ten derde zijn er verschillen in de hoeveelheid geld wat landen uitgeven aan defensie. Die verschillen zijn uit te drukken in een percentage van het BBP, maar belangrijker is wat landen feitelijk op de mat kunnen leggen qua militairen, wapensystemen, logistiek, overig materieel en meer. Landen als Duitsland, Frankrijk en Polen staan aan de top qua investeringen, terwijl landen als België en Spanje (nog) onderaan bungelen. Onbalans in uitgaven kan leiden tot wantrouwen en in zekere zin ook eenrichtingsverkeer van landen die weinig aan defensie uitgeven en veiligheid komen halen bij landen die wel geld uitgeven aan hun krijgsmacht. Trumps dreigementen aan Europa zijn niet ongegrond: Europese landen zijn de afgelopen decennia klaploper geweest en kwamen vooral veiligheid halen bij de Verenigde Staten. De evacuatie van Kabul is hiervan een goed voorbeeld, zonder de inzet van de Amerikaanse krijgsmacht hadden Europese landen de evacuatie niet voor elkaar kunnen krijgen qua materieel en qua veiligheid.

Ten vierde is er sprake van marginalisatie. Veel Europese landen hebben te lang het vredesdividend geïnd en hun defensie verwaarloosd. Budgetten zijn verminderd, dienstplicht is vaak opgeschort of afgeschaft, materieel is afgestoten en sommige landen hebben complete eenheden afgestoten. België heeft bijvoorbeeld geen tanks en geen grondgebonden luchtverdediging. Nederland heeft eveneens geen eigen tanks en leaset nu tanks van een Duitse (moeder)eenheid. Net als bij tweelingsteden, ontstaat internationale militaire samenwerking vaak uit schaarste en opportuniteit.

Europese militaire samenwerking: kern
De vorige paragraaf focust vooral op de politiek-strategische situatie, de context waarin krijgsmachten opereren. Literatuur omtrent tweelingsteden laat zien dat een sociaalruimtelijke integratie noodzakelijk is voor een daadwerkelijke vorming van een Europees leger. De spatial triad van Henri Lefebvre, vaker gebruikt in studies over tweelingsteden, is een handzaam instrument om te kijken wat de essentie is van een Europees leger. In feite zou men een brigade (3.000-6.000 man) of divisie (ca. 20.000 man) kunnen zien als een groot dorp of kleine stad, opgebouwd uit allerlei activiteiten die tezamen het geheel vormen: de mensen die het gevecht moeten voeren, de mensen die zorgen voor logistieke ondersteuning (voedsel, dranken, brandstof, munitie, transport, onderhoud en reparatie), geneeskundige capaciteit (van verpleegkundigen, tot huisartsen tot chirurgen), genie-eenheden (die m.n. constructies bouwen en hindernissen doorbreken), personeelszaken (HR, loopbaanadviseurs), militaire politie en meer.

Belangrijk is dat de krijgsmacht een geweldsinstrument van de staat is en dat militairen terecht kunnen komen in situaties die gaan over leven en dood. Een samenwerking of integratie moet vloeiend zijn, interoperabiliteit is het kernwoord binnen militaire gremia, zeker voor de boots on the ground: de militairen die daadwerkelijk aan de bosrand staan en het gevecht moeten voeren of ondersteunen. Ofwel de tactisch-operationele eenheden. Hiervoor zijn heldere doctrines en standard operating procedures (gestandaardiseerde routinematige activiteiten) nodig, concepten die vallen onder Lefebvre’s representation of spaces. In principe heeft de NAVO haar eigen doctrines, maar zijn er soms interpretatieverschillen tussen landen die ervoor kunnen zorgen dat men niet als één geheel optreedt: dit is vanzelfsprekend gevaarlijk voor de (organisatie van) eenheden op het slagveld.

Er dient verder, zoals het Görlitz-Zgorzelec voorbeeld laat zien, geen discrepantie te zijn tussen deze concepten en de dagdagelijkse activiteiten van degenen die onderdeel zijn van de integratie. De concepten moeten uitgebreid worden getraind (oefenen, oefenen, oefenen!) zodat men in de praktijk weet wat men moet doen, hoe men dat moet doen, en weet wat anderen doen. Uitgebreid trainen zorgt ervoor dat men drilmatig, bijkans op de automatische piloot, kan functioneren in stressvolle situaties. De dagdagelijkse activiteiten zijn zeker niet overal dezelfde, omdat men te maken heeft met andere wet- en regelgeving, andere concepten, andere organisatieverbanden, ander materieel en andere verbindingsmiddelen en -systemen. Dit geeft al uitdagingen voor twee landen die samenwerken, laat staan voor alle Europese NAVO-landen die tezamen een Europees leger moeten vormen.

Daadwerkelijk samenwerken en samen oefenen is uitermate belangrijk, want zoals de practice turn in de sociale geografie laat zien, pas door daadwerkelijk met elkaar in (werk)praktijken te participeren, gaat men zich tot elkaar verhouden. Men gaat dan pas elkaar beschouwen, met elkaar praten en van elkaar leren. Deelname aan gedeelde praktijken is een voorwaarde voor Zusammenhang, zoals Wittgenstein betoogt, en in zijn gevolg ook geografen zoals Schatzki. In relatie tot krijgsmachten gaat het bijvoorbeeld om deelname in allerlei dagdagelijkse werkpraktijken, waardoor men zich moet verhouden tot de organisatie van de werkpraktijken en tot elkaar. Het gaat zowel om formele als informele aspecten van de werkpraktijken, waartoe ook culturele aspecten behoren. Soms simpele zaken zoals elkaar begroeten, deelname en voorzitten van vergaderingen, maar ook bekend raken met hiërarchie, besluitvorming en hoe men binnen bepaalde krijgsmachten omgaat met problemen: los je die zelf op of vraag je aan je commandant (leidinggevende) om dit op te lossen? Hier kunnen hele normen- en waardensystemen achter zitten.

Op het gevechtsveld is het uiterst belangrijk dat procedures voor een ieder gelijk en bekend zijn. Bijvoorbeeld, hoe voer je gewonden af van het slagveld? Landen hebben hier verschillende procedures voor die van invloed zijn op de bewegingen op het gevechtsveld. Dit is één van de vele voorbeelden van in feite dagdagelijkse activiteiten die spelen bij integratie van tactisch-operationele eenheden uit meerdere landen. Ook zeer belangrijk: hoe kunnen militairen van verschillende landen met elkaar communiceren tijdens oefeningen in het veld of bij een inzet? Kunnen systemen op elkaar worden aangesloten en mag dat?

Door de geografische afstanden, maar ook door andere wet- en regelgeving is het nu al moeilijk om daadwerkelijk genoeg multinationaal te oefenen, dit zal voor een Europese krijgsmacht nog een stuk lastiger zijn. Men kan wellicht genoeg oefenen om voldoende voorbereid te zijn, maar in hoeverre men echt een eenheid kweekt tussen militairen van verschillende landen zonder voortdurend te werken op één geografische locatie (de algemene vredesbedrijfsvoering) is een belangrijke vraag. Dit zal integratie op lagere niveaus moeilijker maken dan bijvoorbeeld op een hoofdkwartier, het aantal hoofdkwartieren is immers beperkt en de populaties die hier werken zijn relatief homogeen, terwijl er door alle Europese landen heen veel militaire bases en kazernes zijn, met eenheden die allemaal eigen procedures en dagdagelijkse werkwijzen hebben om “het gevecht van de toekomst” te oefenen.

Het creëren van Zusammenhang is belangrijk voor de persoonlijke en collectieve betekenisgeving. Immers door het participeren in gedeelde praktijken gaat men zich tot elkaar verhouden en kan er een narratief of een collectieve betekenisgeving ontstaan. Op kleinere schaal is hier binnen krijgsmachten onderzoek naar gedaan, maar het is nog te vroeg om te verklaren in hoeverre er daadwerkelijke sprake is van een collectieve betekenisgeving aan werken in een binationale of multinationale eenheid. Het is goed mogelijk dat een dergelijke collectieve betekenisgeving, net als in Görlitz-Zgorzelec een kwestie is van een lange adem waar meerdere generaties overheen gaan. Desalniettemin is vanuit de militaire sociologie bekend dat dergelijke collectieve betekenisgeving snel kan gaan in tijden van oorlog, wanneer men daadwerkelijk samen in primitieve omstandigheden, met dreiging en gevaar voor lijf en leden moet opereren. Hoewel betekenisgeving minder belangrijker is dan de representatie van ruimte en dagdagelijkse praktijken, kan het belangrijk zijn voor het moreel van troepen.

Conclusie
Een Europese krijgsmacht is een wens uit schaarste in een veranderde geopolitieke situatie, maar is ook een voorbeeld van politiek wensdenken. Literatuur omtrent tweelingsteden, hier kort besproken, laat zien dat daadwerkelijke integratie een samenspel is tussen contextuele factoren en kwetsbaarheden en anderzijds de daadwerkelijke inrichting van de integratie in symbolen en concepten (conceived space), dagdagelijkse praktijken (perceived space) en betekenisgeving (lived space). Bij tweelingsteden gaat het om twee steden die aan elkaar liggen, gescheiden door een rivier(tje), in twee landen. Bij een Europese krijgsmacht gaat het om verschillende organisaties uit meer dan 20 landen, met eigen wet- en regelgeving, eigen nationale culturen, lokale culturen, organisatieculturen, manieren van optreden, wapensystemen en verbindingssystemen. Het is daarbij nog een stuk lastiger om te komen tot gedeelde (werk)praktijken of ten minste veelvuldig te participeren in elkaars (werk)praktijken. Bovendien  gaat het bij militaire integratieom fundamentelere zaken dan bij tweelingsteden, namelijk de veiligheid en het functioneren van de troepen en de veiligheid en vrijheid van inwoners uit de Europese landen. Integratie op tactisch niveau lijkt zeer moeilijk, op het niveau van hoofdkwartieren zijn er minder beperkingen. Hierbij laat ik kwesties rondom “de baas zijn over de eigen defensie” en politieke samenwerking binnen Europa (wat denken we van militaire integratie met pro-Russische staatshoofden of met landen die zich van de democratie weg bewegen?) nog buiten beschouwing.

Vanuit Nederlands oogpunt bezien is de bestaande Benelux-samenwerking op marinegebied en Duits-Nederlandse krijgsmachtbrede militaire samenwerking verbeteren en daadwerkelijk integreren realistischer, gezien de jarenlange samenwerking, de institutionalisatie van deze samenwerkingen en de meer gelijkende nationale culturen. Door het leren van Duits-Nederlandse samenwerkingen – ook hier geldt dat door daadwerkelijk samen te werken men pas echt leert – is men bewuster van wat de kansen, bedreigingen en uitdagingen zijn van deze samenwerking, zowel op het tactische niveau als binnen staf en bi- of multinationale hoofdkwartieren. In de woorden van een projectleider binnen een binationaal project: “als Nederland en Duitsland niet innig kunnen samenwerken… een Europees leger is 1000 keer zo moeilijk.”

Dr. Emiel Maliepaard (e.maliepaard.01@mindef.nl) is universitair docent Militaire Bedrijfswetenschappen (Faculteit Militaire Wetenschappen, Nederlandse Defensie Academie). Hij doet onderzoek naar internationale militaire samenwerking en internationale missies/inzetten en draagt bij aan de vorming en opleiding van aspirant-officieren.