Rens Jonker

AGORA heeft als sociaal-ruimtelijk tijdschrift in haar 40-jarige bestaan de nodige veranderingen doorgemaakt en vele redacteurs zien komen en gaan. Er gaat een hele wereld achter het blad schuil, waar de gemiddelde lezer – als het goed is – weinig van merkt. In dit artikel bieden we niet alleen een inkijkje in de wereld achter AGORA, maar ook twee andere geografische bladen.
Zelf ben ik al bijna zes jaar in verschillende rollen aan AGORA verbonden, wat slechts één van de vele geografische tijdschriften is. Ik was benieuwd wat mensen drijft om zich aan verschillende tijdschriften te verbinden, en zo een bijdrage te leveren aan het vakgebied. Ik ga met verschillende (oud-)hoofdredacteuren in gesprek over hun ervaringen, aanpak en kijk op het redactiewerk. Eelko, Ben en Ronald zijn al vele jaren betrokken bij het tijdschrift Geografie, wat leidt tot een geanimeerd gesprek vol anekdotes. Jorn is ruim zes jaar hoofdredacteur van AGORA geweest en vertelt hoe het redactiewerk in zijn carrière doorwerkt. Tot slot vertelt Tatiana Debroux van Brussels Studies over de eigenzinnige focus en werking van het tijdschrift.
Geografie (Geografie.nl)

Rens Jonker: Laten we beginnen met een voorstelrondje. Wie zijn jullie, en hoe ben je betrokken bij Geografie (geweest)?
Eelko Postma: Ik ben secretaris-directeur van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap of KNAG, al zo’n 20 jaar. Wij geven het tijdschrift Geografie uit.
Ronald Kranenburg: Ik ben momenteel hoofdredacteur van Geografie. Dat doe ik ook al bijna 20 jaar. Daarvoor heb ik een aantal jaar de beeldredactie van het tijdschrift gedaan.
Ben de Pater: Mijn geschiedenis met Geografie gaat het langste terug. In 1992 was ik de eerste hoofdredacteur van het tijdschrift, dat de opvolger was van twee bestaande KNAG-tijdschriften. Ik bleef acht jaar lang hoofdredacteur, tot en met 1999.
RK: Toen ik in 1999 mijn proefschrift aan het afronden was, kwam ik uit de lift in het Van Unnikgebouw op de Uithof, de campus van de Universiteit Utrecht, en liep ik richting het koffiezetapparaat. Daar werden altijd de belangrijke beslissingen voorgekookt. Daar zei iemand dat ze bij het KNAG iemand zochten om het ‘Informatie en documentatiecentrum voor de geografie van Nederland’ te beheren. Dat werd door twee Nederlandse ministeries gefinancierd. De directeur van het centrum, Henk Meijer, was met pensioen gegaan. Er was besloten het ‘IDG’ over te dragen aan het KNAG. Dat leek me wel wat. Na jaren van academisch onderzoek in buurten in El Alto, La Paz, was ik wel toe aan wat praktischer werk. Dus eigenlijk ben ik per toeval bij het KNAG beland.
EP: En ik ben begonnen in het bedrijfsleven, waarna ik op een vacature bij het KNAG solliciteerde. Echt in het hart van de geografie.
BP: Vanaf 1984 werkte ik als wetenschappelijk medewerker bij de Universiteit Utrecht. Eind jaren tachtig werd ik daarnaast secretaris van het KNAG-bestuur. Dat had net een aantal tijdschriften samengevoegd tot ‘Geografie’. In 1992 stopte ik als secretaris om hoofdredacteur van Geografie te worden. Omdat het een tijdrovende functie was, kreeg het departement Sociale Geografie en Planologie van de UU voor elk nummer meen ik 1000 gulden. Toentertijd was het allemaal niet zo professioneel, dus ik kon grotendeels zelf bepalen wat er met dat geld werd gedaan. De geografische afdeling van de universiteitsbibliotheek moest destijds erg bezuinigen, met het geld hebben we geografische en planologische boeken voor de bieb aangeschaft.
RJ: Hoe is Geografie het tijdschrift geworden dat het nu is?
BP: Daar kan ik een heel boek over schrijven. Het KNAG heeft door de jaren heen verschillende tijdschriften onder zijn hoede gehad. Het oudste is het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, later Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Dat werd vanaf de oprichting in 1873 uitgegeven tot en met 1966. Toen het KNAG fuseerde werd het eigen tijdschrift opgeheven en werd het uitgever van het Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie (TESG). Dat verscheen sinds 1909 en is na 1967 geleidelijk geheel Engelstalig geworden en academisch-wetenschappelijk van aard. Daarnaast ging het KNAG het Geografisch Tijdschrift uitgeven dat in 1948 was opgericht voor met name docenten aardrijkskunde. Buiten het KNAG om hebben studenten geografie in 1973 de Geografenkrant opgericht. Dat liep goed, en werd overgenomen door het KNAG, waarmee we dus één Engels (TESG) en twee Nederlandse tijdschriften (het Geografisch Tijdschrift en De Nieuwe Geografenkrant) uitgaven.
EP: TESG is later bij Blackwell ondergebracht, wat nu Wiley heet. Het tijdschrift was en is internationaal georiënteerd, het werd destijds vijf keer per jaar naar zo’n 100 verschillende landen gestuurd. Dat was natuurlijk een enorme klus, eigenlijk niet meer te doen voor een kleinere organisatie.
BP: De twee Nederlandse tijdschriften zijn vervolgens in 1992 opgegaan in het tijdschrift Geografie. Destijds hadden we ook een onderwijseditie van Geografie, Geografie-Educatief, waarop mensen zich apart konden abonneren. Begin deze eeuw is dat samengevoegd tot één vakblad, Geografie, met daarin zowel algemene artikelen als bijdragen speciaal bestemd voor leraren aardrijkskunde.
RJ: Is het redactiewerk door de jaren heen eigenlijk erg veranderd?
BP: Het was in de jaren ’90 veel ingewikkelder om een tijdschrift te produceren. Voor beeldmateriaal moest je bijvoorbeeld foto’s opvragen bij persbureaus als Hollandse Hoogte. Je kreeg dan een hele map met foto’s toegestuurd waaruit je een keuze kon maken. Vervolgens moest je die foto’s weer terugbrengen of terugsturen. Ik kan me ook nog herinneren dat ik notulen van redactievergaderingen per post opstuurde.
EP: We hadden ook nog een maandelijkse nieuwsbrief: KNAG Mededelingen. Ook die werd per post verstuurd. Nu hebben we een digitale nieuwsbrief, en een eigen website: geografie.nl
RJ: En hoe houden jullie rekening met jullie lezers bij het samenstellen van Geografie?
RK: Nou, we hebben wel eens een lezersenquête gehouden. De uitkomst had je van tevoren wel kunnen bedenken. Fysisch geografen vinden dat er te weinig fysische geografie in zit. Docenten vinden dat er te weinig in zit dat praktisch bruikbaar is in de klas. En de overige lezers vonden dat er toch wel erg veel onderwijs in zat. Het is een diffuse lezersgroep, dus je probeert een mix te brengen. Daarbij weet je dat bepaalde artikelen een deel van je lezers absoluut niet zullen interesseren. Daarnaast weten we dat lezers hechten aan goede kaarten en beeld in kleur. Wat ook belangrijk is: toegankelijk schrijven. De meeste geografen zijn geen geboren schrijvers, eerder reizigers. We hebben dus een professionele eindredacteur om artikelen leesbaarder te maken.
BP: Je hebt tijdschriften die need-to-know zijn, Geografie is meer nice-to-read. Je moet dus concurreren met allerlei andere activiteiten. Het tijdschrift ligt vrijdag op de mat, maar op zaterdag valt ook de weekendkrant binnen. Er is een voetbalwedstrijd op tv, de kinderen willen opgehaald worden en je ouders moeten verzorgd worden. Als je wilt dat Geografie gelezen wordt, moet het dus aantrekkelijk zijn om te lezen.
RJ: Dat herken ik wel. Toen ik een jaar of 10 was, zat ik letterlijk bij de brievenbus te wachten tot de Donald Duck binnenviel. Dan wist je precies hoe laat de postbode kwam en was je boos als hij te laat was.
RK: Nou, dat hebben we met Geografie dus ook!
RJ: Nog een laatste vraag. Zijn er maatschappelijke trends te noemen die invloed hebben op Geografie?
RK: Jazeker! Een aantal jaren terug droogde de instroom van artikelen uit universiteiten op. Daar werd heel erg gehamerd op het belang van peer-reviewed artikelen. Iemand die in zijn vrije tijd wel eens een artikel schreef voor Geografie werd op het matje geroepen. Hem werd gevraagd meer in zogenaamde serieuze tijdschriften te publiceren. Later werd kennisvalorisatie populair. Toen kwamen er ineens weer allerlei mensen van de universiteit die een artikel wilden schrijven!
BP: Mensen zijn steeds minder vaak lid van een vereniging. Dat zien we ook bij het KNAG, maar het tijdschrift Geografie blijft goed overeind. Naast de Onderwijsdag die het KNAG organiseert, met soms zo’n duizend bezoekers, bijna allemaal docenten aardrijkskunde, is het tijdschrift de belangrijkste reden om lid te zijn van het genootschap. Het is toch wel een tijdschrift dat aardrijkskundedocenten, praktijkgeografen en geografen op de universiteit met elkaar verbindt.
“Het was in de jaren ’90 veel ingewikkelder om een tijdschrift te produceren.“
AGORA Magazine (agora-magazine.nl)
RJ: Ha Jorn, leuk om een oud-hoofdredacteur van AGORA te spreken. Wil je je voorstellen en vertellen hoe je bij AGORA bent begonnen?
Jorn Koelemaij: Ik heb van 2011 tot 2013 een research master gedaan aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens mij zat ik in het laatste jaar, toen ik benaderd werd door een vriend van me, Barend Wind. Toen heb ik een eerste, bescheiden bijdrage geleverd aan een themanummer. Vrij snel daarna was er een internationale redactievergadering in Antwerpen, wat erg gezellig was.
RJ: En wat maakte dat het redacteurschap je aansprak?
JK: Ik had altijd wel affiniteit met schrijven, redigeren, dat soort dingen. In die tijd hadden we vanuit de research master een Engelstalige blog opgericht, de Proto City heette dat. Dat liep een beetje uit de hand en is best groot geworden. Daar was ik dus al bezig met het schrijven en redigeren van stukjes. AGORA bestond destijds al heel lang, als student las ik het ook al met veel plezier. Dus toen eerst Barend en daarna een andere vriend me vroeg dacht ik: dan moet ik wel. Het vooruitzicht om zelf dingen te schrijven, na te denken over inhoudelijke nummers, dat sprak me aan.
RJ: Speelt die redactie-ervaring nog een rol in je werkende leven?
JK: Eigenlijk ben ik via AGORA mijn werkende leven in gerold. De situatie in 2013, dus bij mijn afstuderen, is bijna niet te vergelijken met hoe het nu is. Voor elke vacature had je 80 tot 150 gegadigden. Veel mensen moesten zich destijds tevreden stellen met een onbetaalde stage of baantje in de horeca. Ik ben nog een paar jaar fulltime gids geweest in Amsterdam. Toen kwam er een vacature aan de Universiteit Gent voorbij voor academisch assistent, een soort PhD kandidaat. Ik werd erop gewezen via het AGORA netwerk. Het klikte met de promotor, Ben Derudder. Hij bleek in een ver verleden ook AGORA redacteur te zijn geweest.
Nu werk ik bij Platform31. Daar richten we ons op complexe vraagstukken in stad en regio, vaak met een ruimtelijke of maatschappelijke component. We proberen beleid, praktijk en wetenschap met elkaar te verbinden. In heel veel opzichten komen mijn redactievaardigheden nu van pas. Natuurlijk de Nederlandse taalvaardigheid, schrijven voor een breder doelpubliek dan academisch. Het constructief kritisch meedenken met teksten van anderen, maar ook zeker het plannen, het werken met deadlines, het coördineren van themanummers. Als hoofdredacteur was het ook het voorzitten van vergaderingen, het proberen enthousiasmeren van een club vrijwilligers, zorgen dat mensen hun afspraken nakomen. Ik ben nu heel vaak projectleider van projecten. En ja, dat komt dan heel vaak op hetzelfde neer. Die projectmanagement vaardigheden heb ik wel degelijk bij AGORA opgedaan. Ik denk dat ik bij Platform31 deels daarom aangenomen ben.
RJ: Hoe hield je als hoofdredacteur rekening met de lezers van AGORA? Wie zag je als doelgroep?
JK: AGORA was en is erg breed georiënteerd. We hadden soms wel enigszins obscure themanummers. Bijvoorbeeld een nummer over seksualiteit, beleidsprofessionals op het gebied van ruimte voelen zich dan niet meteen aangesproken. Dat maakt het soms lastig te verkopen.
Tegelijk brachten we wel altijd inzichten op basis van wetenschappelijk onderzoek. En vaak op een toegankelijke manier. Dat is wel een afweging die je moet maken. Wil je zoveel mogelijk gelezen worden en een zo groot mogelijk publiek bereiken of profileer je je bewust een beetje niche, voor de echte vakidioten? Ik weet het antwoord ook niet, ik heb er ook jarenlang mee geworsteld. Dat blijft natuurlijk een beetje het lastige aan AGORA, en ook het leuke. Je doelgroep is gewoon vrij breed. Enerzijds zijn het studenten, anderzijds wil je ook wel beleidsprofessionals bereiken. Wat ik het unique selling point van AGORA vind is die brug tussen wetenschap en beleidspraktijk. Die moet je denk ik heel sterk uitdragen.
RJ: Ja zeker. Ik vind het leuk dat we soms hele obscure wetenschappelijke onderzoeken een beetje behapbaar maken. En dat we ervoor zorgen dat je soms met wat andere thema’s in aanraking komt. AGORA bestond in 2024 alweer 40 jaar. Ons hele archief tot en met 1984 is online te vinden. Waarom hebben jullie destijds alle nummers gedigitaliseerd?
JK: Een van mijn laatste klussen als hoofdredacteur was inderdaad het digitaliseren van ons archief. Ik vind het geweldig om dat tijdsbeeld te zien. Het was echt een feest om al die oude nummers door te lezen. Zo kwam ik tot de ontdekking dat er al heel vroeg in de jaren ‘90 veel onderzoek werd gedaan naar gentrificatie. Het was nog niet zo’n populair en ingeburgerd onderwerp als nu, maar er waren al wel degelijk onderzoekers mee bezig.
Er zijn altijd beleidsprofessionals die heel veel passie hebben voor hun vakgebied en er alles over willen weten. Die bewezen we er wel een dienst mee denk ik. Nu is het gewoon goed online vindbaar. Het grootste deel is er misschien niet in geïnteresseerd. Ik doe in mijn huidige werk regelmatig onderzoek voor artikelen. Als ik een academisch georiënteerde, theoretische inleiding schrijf met verwijzingen die ouder zijn dan 15 jaar, krijg ik af en toe op mijn donder. Hoezo verwijs je daarnaar? Dat is toch verouderd en achterhaald?
Terwijl ik nu met een verkennend onderzoek bezig ben naar de woon-werkbalans. Twintig jaar geleden zijn er allerlei goede onderzoeken naar gedaan, onder andere door het PBL. Daar is dus al heel veel kennis over. Anders ga je nu het wiel opnieuw uitvinden.
RJ: Eens! Een tijdje terug zocht ik inspiratie voor het redactioneel commentaar en ging ik in het archief graven. Toen kwam ik erachter dat allerlei thema’s al decennia terugkomen. Of het nu woningbouw is, geluidsoverlast van vliegtuigen, duurzame energie of de stikstofdiscussie. Dan lees je waarom bepaalde trends lopen zoals ze lopen. Hoe kijk je naar de toekomst van ruimtelijke ordening?
JK: Ik zeg dat wel eens tegen vrienden van me die geen geografische achtergrond hebben, als ze vragen waarom ik mijn werk zo leuk vind. Het heeft ermee te maken dat ruimtelijke ordening prominenter op de agenda komt te staan. Het Rijk trekt weer meer regie naar zich toe. Ik denk dat dat op zich positief is. Het zorgt ervoor dat dingen meer in samenhang worden gezien en ook zo opgepakt worden. Ik heb meegeschreven aan de reflectie van Platform31 op het huidige regeerprogramma. In de Nota Ruimte komt het besef wel terug dat we echt voor grote ruimtelijke opgaven staan. Al het kritische debat daar omheen is denk ik wel heel waardevol, daar kan AGORA een rol in spelen. Het besef dat ruimtelijke ordening er echt toe doet, klinkt in ieder geval steeds breder door. Het is eigenlijk een sexyer onderwerp dan je misschien zou denken.
“In heel veel opzichten komen mijn redactievaardigheden nu van pas.“
Brussels Studies (brusselsstudies.be)

Tot slot vertelt Tatiana Debroux van Brussels Studies over de eigenzinnige focus en werking van het tijdschrift Brussels Studies.
RJ: Tatiana, zou je jezelf en Brussels Studies willen introduceren?
Tatiana Debroux: Ik ben geograaf en de hoofdredacteur van Brussels Studies. Sinds een aantal maanden doe ik dat bijna voltijds. Daarvoor deed ik het zo’n 40% van de tijd, het is dus een grote stap! Het is een wetenschappelijk tijdschrift met een multidisciplinaire focus. De rode draad door alle thema’s is een focus op Brussel, zoals de naam al doet vermoeden.
RJ: Wat voor thema’s komen er zoal aan bod?
TD: Geografie is goed vertegenwoordigd, sociologie ook. We hebben ook artikelen gepubliceerd van historici en architecten, en over huisvesting, kunstgeschiedenis, literatuur en rechten. We proberen echt thema’s te adresseren die spelen in de samenleving.
RJ: Dat is inderdaad erg breed ja! Wat betekent zo’n brede focus voor de auteurs en artikelen?
TD: Het dwingt de auteurs in ieder geval om voorbij hun eigen discipline te kijken en weinig jargon te gebruiken. De manier van werken van de ene discipline, mag geen obstakel vormen voor lezers uit een andere discipline. Daar zijn we scherp op bij het beoordelen van artikelen: de tekst moet toegankelijk zijn voor een breed publiek.
RJ: Nu we het over publiek hebben, wie zijn eigenlijk de lezers van Brussels Studies?
TD: We zijn een volledig online tijdschrift, wat inhoudt dat we via onze website kunnen zien waar de bezoekers vandaan komen. Iets minder dan de helft van de bezoekers komt uit België, de rest komt uit andere landen. Maar 34% van de bezoekers komt uit Brussel, wat ons erg verraste. Dat geeft dus aan dat het zeker breder gelezen wordt dan alleen in Brussel. Elk nummer kondigen we aan via onze nieuwsbrief en delen we via een persbericht met journalisten van Belgische kranten. Het komt ook wel eens voor dat er naar aanleiding van onze artikelen vragen worden gesteld in het Brusselse parlement, of dat ze worden gebruikt om debatten voor te bereiden. Wat ook uniek is aan ons tijdschrift is dat we al onze artikelen publiceren in het Frans, Nederlands én Engels. We bedienen dus verschillende taalgroepen.
RJ: Zo, dat zal nogal wat werk met zich meebrengen!
TD: Ja zeker. We hebben wel de luxe dat we de artikelen professioneel laten vertalen. Ook de vaste posities in de redactie zijn betaald. Dat is mogelijk dankzij financiering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Toch werken we met volledige academische onafhankelijkheid: ze hebben geen zeggenschap over de inhoud van de artikelen.
“Het is een niche, maar erg relevant werk.“
RJ: En wat voor werkzaamheden komen er nog meer kijken bij de artikelen?
TD: Van alles eigenlijk. We organiseren de peer review, werken samen met auteurs aan de toegankelijkheid van het taalgebruik, checken de verwijzingen, passen het format aan, zetten de artikelen online, kondigen de publicatie aan, et cetera. We merken de laatste jaren dat artikelen meer werk vanuit de redactie nodig hebben. Er zijn soms veel aanpassingen nodig aan een artikel voordat deze doorgestuurd kan worden naar de peer review. Het is een trend dat auteurs minder tijd investeren in de eerste versies van papers. Het komt hierdoor ook voor dat we artikelen moeten afwijzen, of veel tijd moeten investeren in meerdere versies van het paper.
RJ: Wat doe je zoal om het bereik of de impact van het tijdschrift te vergroten?
TD: Allereerst zorgen we ervoor dat artikelen goed vindbaar zijn. De artikelen staan in Scopus, wat belangrijk is voor veel auteurs. Zo hebben de artikelen een stuk breder bereik dan alleen via onze eigen website. Ook zou ik graag nog meer disciplines bij het tijdschrift betrekken. We hebben bijvoorbeeld nog weinig artikelen uit de medische hoek, rond volksgezondheid. Het is wel een erg relevant thema voor Brussel. Ik wil niet wachten tot auteurs zelf Brussels Studies ontdekken, dus ik ga ook naar seminars en schrijf auteurs aan rond deze en andere thema’s. Daarnaast zijn we bezig met het opzetten van een netwerk rond het publiceren van Open Access tijdschriften, genaamd Reliade. Zo willen we de gemeenschap van redacteurs ondersteunen met de technische kant van een tijdschrift. Denk aan het organiseren van trainingen en het delen van kennis over bijvoorbeeld financiering. Het is een niche, maar erg relevant werk.
RJ: Nou, qua kennisdeling hebben we vandaag een mooi begin gemaakt. Dank voor je tijd en alle inzichten!
Rens Jonker (rens_j@msn.com) is hoofdredacteur van AGORA Magazine. Daarnaast werkt hij bij gemeente Utrecht als beleidsadviseur mobiliteitsgedrag.
