Brusselse jongeren en superdiversiteit

Wesley Gruijthuijsen, Ria Goris & Rut van Caudenberg

Brusselse jongeren komen graag in het centrum (Bron: Wesley Gruijthuijsen)

Met meer dan 180 verschillende nationaliteiten is Brussel bij uitstek dé superdiverse stad van Europa. Deze superdiversiteit is in het bijzonder terug te vinden bij jongeren. Toch wordt er vooral over hen gesproken in plaats van door hen. Hoe ervaren zij de stad zelf?

Het begrip ‘superdiversiteit’ komt steeds vaker terug wanneer er over de rijkdom aan migratieachtergronden binnen een samenleving wordt gesproken. Het concept verwijst niet alleen naar de aanwezigheid van verschillende nationaliteiten, maar ook naar de steeds toenemende diversiteit binnen groepen met een migratieachtergrond. Deze ‘superdiversiteit’ is een basiskenmerk geworden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (hierna ‘Brussel’), waar inwoners uit 186 landen van herkomst de stad tot één van de meest superdiverse steden van Europa en de wereld maken. Volgens de laatste bevolkingsstatistieken van Statbel had op 1 januari 2024 net iets meer dan 37 procent van de inwoners van het gewest een andere – dan de Belgische – nationaliteit. Daarnaast had op dat moment ruim 40 procent van de Belgische Brusselaars een migratieachtergrond (de zogenaamde tweede of derde generatie). Brussel heeft ook het kleinste aandeel mensen afkomstig uit een buurland en het grootste aandeel mensen met een nationaliteit van buiten de EU. Onder jongeren is deze (super)diversiteit bovendien hoger dan in andere leeftijdsgroepen; het aandeel Belgen met een Belgische achtergrond neemt toe met de leeftijd.

Samenleven in superdiverse steden
Superdiverse steden worden gekenmerkt door meertaligheid en culturele diversiteit, met tal van voordelen. Zo wijst internationaal onderzoek erop dat een grote diversiteit zorgt voor toenemende productiviteit en innovatie door culturele uitwisseling. Bovendien dragen nieuwe regionale en internationale uitwisselingen bij aan een kosmopolitisch karakter van een stad. Maar er komen ook vragen en uitdagingen naar voren, bijvoorbeeld rondom sociale cohesie of het gezamenlijk samenleven in een buurt of stad. Dit is een (wetenschappelijke) discussie die ook in België en Nederland al langer speelt.  Onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (NL) uit 2018 toont aan dat mensen in diverse buurten minder vaak contact hebben, dat contact minder positief beoordelen en vaker een negatief oordeel hebben over hun leefomgeving. Deze discussies kwamen eerder al terug in een themanummer ‘solidariteit in superdiversiteit’ van ‘Ruimte en Maatschappij’ in 2015. Een belangrijke les die daar werd genoemd is dat solidariteit in superdiversiteit niet vanzelf tot stand komt, maar inzet vereist van professionals, zoals sociaal werkers of buurtwerkers en aanpassing vraagt van dominante processen die vormgeven aan het samenleven. Hoewel het werk van bijvoorbeeld Wessendorf omtrent ‘commonplace diversity’ aantoont dat diversiteit kan worden gepercipieerd als normaal onderdeel van het sociale leven en positieve impact kan hebben op sociale relaties, is dat zeker niet evident. Zeker in een tijd waarin sommige politieke partijen juist verschillen benadrukken en groepen tegen elkaar opzetten.

De openbare of publieke ruimte kan een belangrijke rol spelen bij het samenleven in superdiversiteit. Het werk van Blokland herinnert ons eraan dat wanneer mensen met verschillende achtergronden elkaar regelmatig treffen in de openbare ruimte dit kan leiden tot publieke familiariteit, waarbij bewoners elkaar herkennen. Dit kan niet alleen het gevoel van veiligheid en vertrouwen versterken, maar ook het contact tussen buurtbewoners. Het Kennisplatform Inclusief Samenleven benadrukt bijvoorbeeld dat deze lichte contacten juist in diverse wijken bruggen kunnen slaan tussen bewoners, daar deze minder afhankelijk zijn van gelijkaardige en leefpatronen. Daarbij worden enkele belangrijke aspecten voor die publieke ruimte aangestipt, zoals multifunctionaliteit, levendigheid, ruimte voor anonimiteit en intimiteit, en condities voor ongedwongen ontmoeting. Dit zou kunnen bijdragen aan het verminderen van ruimtelijke segregatie van activiteiten, al spelen veel meer factoren daarbij een rol, zoals bijvoorbeeld het bredere verplaatsingsgedrag.  Daarnaast is het ook belangrijk om aandacht te hebben voor bestaande machtsstructuren. De demografische realiteit van ‘superdiversiteit’, gaat immers niet gepaard met een gelijkaardige verschuiving op het niveau van belangrijke instituties zoals onderwijs, arbeidsmarkt, media en politie. Zoals Geldof benadrukt, verandert de representatie in deze instituties en de daarmee samenhangende machtsrelaties veel trager dan de demografische ontwikkelingen, waardoor deze veelal de traditionele dominante structuren weerspiegelen en in stand houden.   

Verkennend onderzoek naar de beleving van Brussel
Nog te vaak worden bepaalde groepen uitgesloten van de publieke ruimte of vinden zij geen geschikte plaats in de publieke ruimte, laat staan dat zij een rol spelen in de inrichting van de ruimte of eigenaarschap ervaren over deze ruimte. Denk aan kinderen die vaak geen stem hebben bij het inrichten van hun speelplek (AGORA 23-3), maar ook aan ouderen die moeilijk door de ruimte kunnen bewegen die niet leeftijdsvriendelijk is ingericht. Amsterdam kondigde in maart 2025 aan dat bij de inrichting van de stad vanaf nu specifieke aandacht uitgaat naar jonge vrouwen. Te lang was er een te beperkte blik op de stedelijke ruimte. Er moet nog veel gebeuren opdat iedereen een veilige en fijne plek heeft in de publieke ruimte, die idealiter ook tot verbinding tussen groepen moet leiden. Het is met onder andere deze gedachte in het achterhoofd dat enkele onderzoekers aan de Erasmushogeschool Brussel een nieuw onderzoekscentrum oprichtten rondom ‘social and spatial justice’, waar naast het sociale aspect ook expliciet naar de ruimte wordt gekeken als factor en actor die impact heeft op de rechtvaardige stad. In het kader van een stakeholder bevraging, hebben studenten uit de bachelor Journalistiek de opdracht gekregen om Brusselse jongeren (18-24 jaar) met een migratieachtergrond te interviewen over hun alledaagse ervaring in Brussel. De opzet was om inzichten te verzamelen in hoe deze jongvolwassenen de Brusselse diversiteit ervaren, waar ze zich thuis of minder thuis voelen, en de ervaring op het vlak van onderwijs, vrijetijd, de arbeidsmarkt, en contacten met politie. Het doel is niet om een vergelijking te maken met Brusselse jongeren zonder migratieachtergrond, maar wel om de stemmen van groepen te laten horen die nog te veel worden genegeerd. Uiteindelijk hebben er 24 interviews plaatsgevonden met jongeren, waarvan 12 mannen en 12 vrouwen. De superdiversiteit van Brussel weerspiegelt zich duidelijk in het profiel van de respondenten die uiteenlopende achtergronden hebben, variërend van Latijns-Amerikaans, Zuidoost-Aziatisch tot (Noord-)Afrikaans en Oost-Europees. De overgrote meerderheid van hen is geboren in België, meestal in Brussel.  Onder de respondenten zijn zowel studenten, maar ook jongeren die reeds werken in uiteenlopende contexten (verkoper, arbeidsbemiddelaar, opvoeder, doctoraatsonderzoeker etc.). Het aantal studenten in het hoger onderwijs is relatief hoog, wat betekent dat de steekproef een oververtegenwoordiging heeft van langer opgeleide jongeren. Dit kan deels worden verklaard door de gekozen methodologie (interviews door studenten die hier vooral hun eigen netwerk hebben aangesproken).   

Het station wordt vaak genoemd als een plek waar sommige jongeren zich onveilig voelen (Bron: J.B. Gonzales Callapaza via Unsplash)

Het ‘vieren’ van diversiteit
De grote diversiteit van Brussel wordt door de jongeren aangehaald als één van de positieve aspecten van de stad, die worden omarmd en gevierd. Brussel wordt gezien als melting pot en dat alleen al zorgt dat veel van deze jongeren zich daar thuis voelen:

“Ik vind ook dat Brussel echt iets is dat op zichzelf is. (…) Omdat het juist zo rijk is aan die diversiteit, zo rijk is aan dat multiculturalisme enzo, waardoor het echt zo’n beetje een eigen cultuur en een eigen vibe heeft. En daar voel ik mij gewoon het beste bij en ook gewoon, het voelt echt als thuis.” (Vrouw, 23, Marokkaanse origine)

De jongeren geven aan dat de Brusselse melting pot het makkelijker maakt om contacten te leggen en tegelijkertijd op te gaan in de massa, zonder je anders te hoeven voelen. Dit in tegenstelling tot Vlaanderen, waar inwoners volgens sommige respondenten minder geconfronteerd worden met diversiteit en (mede) daardoor een negatieve beeldvorming hebben over zowel Brussel in het algemeen, als over jongeren met een migratieachtergrond in het bijzonder. Uit de interviews blijkt daarnaast ook dat het voor veel jongeren de eigen buurt is waar de ‘sense of belonging’ en het gevoel van inclusie het meeste vorm krijgen. Wessendorf liet bijvoorbeeld zien dat migranten juist in diverse omgevingen willen wonen uit angst voor racisme en discriminatie elders. Tot op zekere hoogte keert dit ook terug bij een deel van onze respondenten, die de tegenstelling tussen Brussel en Vlaanderen benoemen. De meeste jongeren zouden dan ook graag in Brussel hun kinderen willen laten opgroeien. Sommigen zouden dan juist wel weer richting de Vlaamse Rand willen verhuizen vanwege een in hun ogen betere levenskwaliteit en (economische) kansen.

Sense of place: het bekende versus onveiligheid
Wanneer wordt gevraagd naar fijne plekken of plekken waar jongeren zich thuis voelen, wordt vooral teruggegrepen naar plekken die de jongeren goed kennen: vooral daar waar men is opgegroeid, in combinatie met het stadscentrum. Ze verwijzen daarbij naar publieke ruimten zoals winkelstraten, parkjes en bibliotheken. Bovendien worden veel semipublieke of private ruimten genoemd, zoals sportfaciliteiten, zwembaden en cafeetjes, etc. Voor sommigen jongeren is dit één specifieke sportclub of koffiebar waar iemand al jaren komt, voor de ander eerder een gebied met veel horeca (bv. Sint-Katelijne plein). Ook wordt er veelvuldig verwezen naar de aanwezigheid van familie of vrienden, eerder dan naar een bepaalde plek:

“Voor mij is thuis geen plek, thuis zijn mensen. Dus dan zou ik zeggen wherever in Brussel als mijn vrienden er zijn, of als mijn familie er is, dan voelt dat aan als thuis.”(Vrouw, 19, Colombiaanse origine)

Daaruit volgt ook dat grote delen van Brussel niet frequent bezocht worden en vooral ‘onbekend’ zijn. Deze plekken worden aangehaald als plekken waar ze zich minder thuis voelen. Opvallend is dat ze het minder thuis voelen vaak associëren met (een gevoel van) onveiligheid, vaak verbonden aan bepaalde tijdstippen of situaties (bv. ’s avonds of ’s nachts alleen over straat lopen). In sommige gevallen worden concrete incidenten benoemd die aanleiding hebben gegeven tot dit gevoel (vb. overvallen op straat, catcalling, scheldpartijen). Daarnaast wordt onveiligheid vaak gerelateerd aan wat ze zien en ervaren op die plek (daklozen, drugsgebruik, drugshandel en prostitutie, afval en stank):

“Schaarbeek is niet echt de veiligste omgeving. Het is niet gemakkelijk. We wonen een beetje in een buitenwijk. We zien veel drugsgebruik en daklozen. Als vrouw zijnde is dat in de avond wel eng.” (Vrouw, 23, Marokkaanse origine)

Voorbeelden die vaak genoemd worden zijn metrostations (Yser, Ribaucourt, etc.), treinstations (in het bijzonder Brussel-Noord en Brussel-Zuid) en het openbaar vervoer zelf. Vrouwelijke respondenten geven aan dat sommige parken voor hen onaantrekkelijk zijn, bijvoorbeeld door dichte begroeiing en een gebrek aan overzichtelijke plekken, wat een onveilig gevoel veroorzaakt en hen tegenhoudt om daar te gaan zitten of te sporten. Bij sommige respondenten speelt ook de meer algemene perceptie van en beeldvorming en stereotypering over bepaalde wijken (zoals Molenbeek) waar ze zelf niet vaak komen een rol, al hebben ze daar zelf nog nooit iets negatiefs ervaren. Dit in tegenstelling tot de ervaring van jongeren die in deze gemeenten of buurten zijn opgegroeid en zich er thuis en verbonden voelen omdat ze weten bij wie zij terecht kunnen, al zijn er onveilige situaties.

“Eigenlijk voel ik me meer thuis in Molenbeek. Ik weet dat ik er mijn draai gevonden heb, terwijl het in Anderlecht misschien nog een beetje nieuw is. Ik ken de omgeving niet. Het is de entourage.” (Vrouw, 23, Belgisch-Algerijnse origine)

Zij verwijzen juist vaak naar de rijkere gemeenten als buurten waar ze zich minder thuis voelen, omdat ze deze plekken niet kennen en daar geen netwerk hebben. Dat veiligheid voor veel jongeren een bekommernis is, blijkt ook wel als gevraagd wordt wat de respondenten zouden veranderen als zij in de schoenen zouden staan van de burgemeester: veiligheid komt hierbij veelvuldig terug, bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid door drugscriminaliteit, of intimidatie in het openbaar vervoer.

“Wij weten van iedereen die voor overlast (drugsoverlast) zorgt wie ze zijn, met wie ze ruzie hebben en wij kennen al hun verhalen. Maar die mensen zijn hier nog steeds en maken het leven voor de buurt moeilijk. Op een gegeven moment zou de politie moeten ingrijpen en zeggen dat dat niet meer kan en ze naar de gevangenis sturen. Er zouden vooral minder ruzies moeten zijn, al gebeurt dat overal. [..].” (Man, 24, Chileense roots)

Wiens perspectief?
Naast de vraag hoe deze jongeren de Brusselse publieke ruimte beleven, werd er ook gepolst naar hoe zij belangrijke instituties zoals onderwijs, media en politie ervaren. Zoals we reeds aanhaalden, weerspiegelen dergelijke instituties nog vaak traditionele demografische structuren, ondanks de superdiverse context waarin zij functioneren. Uit de gesprekken blijkt dat de jongeren zich hierdoor niet altijd vertegenwoordigd voelen en soms weinig erkenning ervaren. Zo geven veel jongeren aan dat zij zich niet vertegenwoordigd voelen binnen het onderwijssysteem, waar het gebrek aan diversiteit onder het onderwijzend personeel het inlevingsvermogen in hun leefwereld kan beperken. Bovendien wonen veel leerkrachten niet in Brussel, wat het soms moeilijk maakt de realiteit van het stedelijke leven begrijpen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de meerderheid van de jongeren waarmee is gesproken Nederlandstalig onderwijs hebben gevolgd.

“Ik kon wel mensen op straat zien met een migratieachtergrond. Maar ik kon me niet identificeren met mijn leerkrachten, want er was geen diversiteit. De leerkrachten konden mij ook niet begrijpen, want zij hebben Nederlands geleerd vanaf hun geboorte.” (Man, 24, geboren in Colombia)

De jongeren geven aan het gevoel te hebben dat ze zich extra hebben moeten bewijzen, omdat er soms vooroordelen zijn over de capaciteiten en de motivatie van jongeren met een migratieachtergrond, en leraren vaak lagere verwachtingen hebben van deze leerlingen, al dan niet gerelateerd aan taal. Daarnaast wordt ook gewezen op afnemende diversiteit in het hogere secundaire onderwijs, waar ze vaak als één van de weinige leerlingen met een migratieachtergrond achterblijven. De jongeren lijken zich m.a.w. bewust te zijn van structurele ongelijkheden in het onderwijssysteem waarbij jongeren met een migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn in het technische en beroepsgerichte secundaire onderwijs.

De beperkte representatie en het moeilijk kunnen inleven in de situatie van jongeren komt ook terug wanneer het gaat over contacten met de politie of autoriteiten in het algemeen. Veel agenten kunnen zich volgens de jongeren moeilijk inleven in hun context, al geldt dit volgens de jongeren ook in omgekeerde richting. Dit leidt volgens hen tot wederzijds wantrouwen. Veel respondenten hebben zelf niet per definitie slechte ervaringen met de politie, maar kennen wel verhalen van vrienden of kennissen.

“Heel de relatie tussen jongeren (met migratieachtergrond) en politie is niet altijd even goed, ook gewoon omdat die relatie vervloekt is door het stereotype dat ze hebben over elkaar. Ik denk dat dat gelinkt is aan heel veel dingen: aan racisme, aan het feit dat er gewoon geen plaats is voor jongeren in de openbare ruimte.” (Angela, vrouw, 19, Colombiaanse roots)

Het weglaten van perspectieven op de stad en een oververtegenwoordiging van meningen van buitenaf komen het sterkst terug wanneer het gaat om de media. Deze scheppen volgens de jongeren vaak een verkeerd beeld van jongeren met een migratieachtergrond door te veel de nadruk te leggen op problemen en criminaliteit, zonder voldoende goede initiatieven of voorbeelden te benoemen. Dit geldt volgens hen in het bijzonder voor de Vlaamse media. Er is sprake van een soort van dubbel stigma: tegenover Brussel en tegenover Brusselse jongeren met migratieroots. Dit lijkt minder het geval te zijn in de Brusselse of Waalse media, maar de Brusselse media zijn dan weer niet bekend bij een deel van de respondenten. Maar zoals eerder benadrukt zijn het ook de jongeren zelf die soms een negatief beeld hebben over plekken waar zij niet komen of die zij niet goed genoeg kennen, en daarmee mogelijk zelf ook deels ten prooi vallen aan het mechanisme dat zich ook in de media voordoet.

Verschillende bezoekerstromen in het centrum en de nabije stationsomgeving (Bron: Rafelia Kurniawan via Unsplash)

De toekomst
De eerste bevraging van Brusselse jongeren als stakeholders in de ontwikkeling van een inclusieve en rechtvaardige stad laat zien dat er nog heel wat bekommernissen zijn. Brussel is een stad waarin superdiversiteit niet alleen een demografische realiteit is, maar ook een fundamenteel onderdeel van het dagelijks leven van jongeren met een migratieachtergrond. Uit de interviews blijkt dat deze jongeren de diversiteit van de stad overwegend als een verrijking ervaren, omdat het een gevoel van thuis en inclusie creëert. Tegelijkertijd worden zij geconfronteerd met structurele ongelijkheden en uitdagingen, zoals gevoelens van onveiligheid, een gebrek aan representatie in onderwijs en media, en wederzijds wantrouwen in de relatie met autoriteiten. Ook de publieke ruimte speelt een cruciale rol in hoe jongeren Brussel beleven. Het gevoel van verbondenheid wordt versterkt in de eigen buurt of vertrouwde plekken, terwijl onbekende of gestigmatiseerde delen van de stad vaak vermeden worden. Dit onderstreept het belang van inclusieve stedelijke planning en beleidsmaatregelen die sociale interactie bevorderen en ongelijkheden aanpakken.

Het nieuwe onderzoekscentrum voor sociale en ruimtelijke rechtvaardigheid van de Erasmushogeschool Brussel wil via participatief en transdisciplinair onderzoek dit soort vragen en kwesties verder onderzoek en aankaarten, en samen met bewoners en andere stakeholders streven naar het vormgeven van maatschappelijke veranderingsprocessen. Daarbij wordt er gefocust op dynamieken en mechanismen van sociale en ruimtelijke uitsluiting van kinderen, jongeren en ouderen, met een nadruk op intergenerationele dynamieken. Door bijvoorbeeld de stem van jongeren met een migratieachtergrond nadrukkelijker te betrekken in beleidsvorming en publieke debatten kan Brussel niet alleen zijn superdiversiteit erkennen, maar ook omarmen als een kracht die bijdraagt tot sociale cohesie en stedelijke innovatie.

Wesley Gruijthuijsen (wesley.gruijthuijsen@ehb.be) is (stads)geograaf, Ria Goris (ria.goris@ehb.be) is onderzoeker journalistiek en Rut Van Caudenberg (rut.van.caudenberg@ehb.be) is sociale wetenschapper. Allen zijn werkzaam als onderzoeker bij de Erasmushogeschool Brussel waar zij verbonden zijn aan een nieuw onderzoekscentrum dat werkt rond sociale en ruimtelijke rechtvaardigheid en officieel van start gaat in oktober 2025.