Kaat Verhaeghe, Sanne Caluwaerts, Pieter Meurs & Minne Huysmans

Kinderen en jongeren zijn deel van de stad. Via hun alledaagse ervaringen bouwen ze er actief aan mee. Toch wordt hun stem vaak niet gehoord. Het project ‘Young Voices of the City’ onderzoekt de betekenis die kinderen en jongeren geven aan hun buurt en hoe hun eigenaarschap over de stad versterkt wordt.
Kinderen en jongeren worden vaak gezien als mensen in wording – ze zijn het nog niet. In het eigenaarschap over hun leefomgeving en in de vormgeving van de stad krijgen de stemmen van jonge mensen daardoor te weinig aandacht en plaats. Kinderen en jongeren hebben een apart maatschappelijk statuut: we verlenen hen als samenleving niet het mandaat of de stem die hen toekomt. Het gaat hierbij niet alleen om het in kaart brengen van kinder- en jongerenperspectieven of het horen van hun stemmen. Het gaat er ook om deze perspectieven – op gelijke voet – in dialoog te brengen met andere stemmen, ook de stemmen in het beleid van de stad.
Wanneer we recht willen doen aan de stem van kinderen en jongeren, zoals o.a. aangegeven in de Participatierechten (in het bijzonder artikel 12 van het kinderrechtenverdrag), moeten we op zoek naar duurzame manieren om de stem van kinderen en jongeren actief te betrekken in hoe de stad en haar buurten vorm krijgen. In het onderzoeksproject ‘Young Voices of the city’ vroegen we kinderen en jongeren om ons hun buurt te tonen. Ze vertelden hoe zij zich al dan niet deel voelen van hun leefomgeving. Dit project heeft specifiek aandacht voor de stemmen van jonge kinderen (4 tot 8 jaar) en van jongeren (12 tot 21 jaar) in de Brusselse buurten van Sint-Gillis, Vorst en Sint-Jans-Molenbeek.
Gebruik makend van narratieve en sensorische methoden zoals photovoice, walk-along interviews en intergenerationele ontmoetingen streefden we ernaar de gelaagdheid van de geleefde stad van kinderen en jongeren samen te beschrijven én te delen met ouders, ouderen en (zorg)professionals. Verbeelding liep als een rode draad door het hele onderzoek. Kinderen en jongeren verbeelden de wereld meer intuïtief, associatief en daardoor minder gestuurd door sociale normen en conventies. Ze denken nog vaker met hun lichaam, gebruiken honderd talen, niet enkel de verbale taal. Het zijn talen en vormen van betekenisgeving die wij, als volwassenen, gaandeweg verliezen.

Om de stemmen van kinderen en jongeren te onderzoeken gingen we in 2 fases op stap met hen. Allereerst onderzochten we de kijk van jonge kinderen op de stad. We nodigden kinderen uit om ons te tonen wat ze belangrijk vinden in de stad, waar ze graag zijn, hoe zij de stad gebruiken en zien. Via de photovoice methodiek visualiseerden kinderen hun verhaal in de stad. Photovoice is een participatieve onderzoeksmethode (figuur 1) geïnspireerd door de pedagogie van Paulo Freire, die, gevoelig voor ongehoorde en onderdrukte stemmen, op een participatieve en emanciperende manier met mensen werkte. Aan de hand van voor hen betekenisvolle foto’s maakten kinderen ons wegwijs in hun dagelijks leven. De foto’s tonen de plekken in hun buurt die ze belangrijk vinden. Op basis van de foto’s creëerden we een narratief ontmoetingsmoment met de ouders waarin kinderen en volwassenen samen vanuit de verhalen van kinderen een nieuwe stad bouwen; een raamtentoonstelling in de buurt, een verhalend tafelkleed dat kindertekeningen en tekeningen van volwassenen met elkaar verweeft.
Daarnaast voerden we ook 62 interviews met jongeren in Sint-Gillis en Vorst over hoe ze hun leefwereld ervaren. Meer concreet zijn we nagegaan hoe jongeren die het grootste deel van hun leven in een van deze 2 buurten wonen, praten over de omgeving waarin ze zijn opgegroeid: hoe ervaren ze de buurt? Welk eigenaarschap ervaren ze? Hoe geeft de buurt vorm aan hun leefwereld?
“Wanneer we recht willen doen aan de stem van kinderen en jongeren, moeten we op zoek naar duurzame manieren om de stem van kinderen en jongeren actief te betrekken in hoe de stad en haar buurten vorm krijgen.”
Kinderen en de stad
De beelden van de stad die kinderen deelden zijn niet alleen vensters op hun identiteit, maar laten ook zien welke betekenis ze geven aan de stad en hoe de stad hun leven beïnvloedt. Als stadmakers vormen zij de stad – of die nu kindvriendelijk is of niet.
“De stad is als een huis waarin iedereen kan wonen. In de stad zijn er ‘mooie huizen, grote en gewone en kleine, dat vind ik leuk. Ze hebben kleuren en verschillende versieringen, want altijd hetzelfde huis, dat is het niet.’” (Omar, 7 jaar)
Huizen keren vaak terug in de verhalen van kinderen. Ze wijzen op het belang van een thuis. Het gaat niet om het huis als verzameling van bakstenen, maar om de mensen en de verhalen die erin leven. Een thuis is een plek waar we ons veilig kunnen voelen, waar we voor elkaar zorgen.
“Wat we nodig hebben is een verwarming, eentje die ons huis meteen kan opwarmen. Als mijn oma komt, heeft ze het koud, want ze woont in Marokko, en daarom heeft ze het hier snel koud.” (Fatima, 8 jaar).
Het is ook een plek die hen soms frustreert. De trap met de vele treden: “Dit is mijn huis. Iets wat ik niet leuk vind aan mijn huis is de trap. Helemaal bovenaan… We hebben zo veel treden, treden, treden, treden.” (Leila, 7 jaar).

Hoe de stad wordt gebouwd (doodlopende straten, pleinen, groen, verbindingswegen), de (tijdelijke) objecten (vlaggen, kerstbomen…) die erin aanwezig zijn tonen naast wie en wat een stem krijgt in de vormgeving ervan ook het discours van de samenleving. Het laat een specifiek – vaak door volwassenen bepaald – perspectief op de stad zien. Verhalen van kinderen tonen hoe hun betekenisgeving en de vormgeving van hun leefomgeving door architecten, stadsgeografen, beleidsmakers en anderen nauw met elkaar verbonden zijn, maar elkaar niet altijd ontmoeten.
Kinderen vertellen verhalen waaraan we te weinig aandacht hechten. De relationele verwevenheid tussen de stad, de mensen en bredere maatschappelijke tendensen komt daarin tot uitdrukking. “Ik kan geen kerst vieren, want ik ben moslim. Ik vier het Offerfeest, de verjaardag van Mohammed. Ik ken zijn verhaal, ik krijg cadeautjes; alleen een kerstboom mag, maar niet het feest.” (Adam, 7 jaar).

Ook in de intergenerationele ontmoetingen wierpen kinderen een blik op de stad waarin ruimte is voor iedereen — een stad die gestoeld is op zorg en relaties met anderen. In wezen is elk kind op de eigen manier al homo politicus, en ook al worden ze niet beschouwd als volwaardige burgers, toch willen zij het recht om te spreken en een plaats aan tafel in te nemen: “een tafel, een stoel, thee drinken met iemand, in Koekelberg, in Brussel, in Molenbeek.” (Nora, 5 jaar)

Jongeren en de stad
De 62 jongeren die werden geïnterviewd wonen al vele jaren in hun wijk, vaak sinds hun geboorte. De buurt is niet zomaar een plek om te wonen – het is hun thuis en jongeren ervaren er een belangrijke emotionele relatie en verbondenheid mee. De buurt is een deel van hun identiteit, gevuld met herinneringen aan kindertijd, vriendschap en familie. Het gaat hierbij zowel om meer ‘losse’ contacten, diepgewortelde, waardevolle relaties die meerdere jaren overspannen of de manier waarop de buurt een zorgzame context is. Of het nu gaat om familie, (school)vrienden, ouderen of de lokale middenstand, veel jongeren hechten waarde aan de hoffelijke contacten die buurtbewoners met elkaar onderhouden; “we kennen onze buren, we kennen de ouderen uit de buurt en zij kennen ons. We kennen elkaar minstens van zien, een vluchtige groet en een aantal woorden als mensen elkaar kruisen” (Ilay (alle namen zijn een pseudonym), 18 jaar, Vorst).
Jongeren vertellen dat de buurt hen mee heeft gevormd: “Ik heb herinneringen gemaakt met mijn vrienden en familie die ik nooit nog zal vergeten. Dit is de stad waar ik ben opgegroeid en het heeft me tot de persoon gemaakt die ik vandaag ben” (Norah, 18 jaar, Vorst). Of nog; “Het is in Vorst dat ik mijn eerste lief leerde kennen en die me later een verlovingsring gaf. We wachten tot na mijn studies om te trouwen” (Leonie, 19 jaar, Vorst).
Voor heel wat jongeren is de wijk een plaats waar je een goed leven kan leiden en waar buren elkaar doorgaans kennen en contact hebben met elkaar; ‘het is niet speciaal moeilijk of makkelijk om jongere te zijn hier. Ik hou natuurlijk nog meer van Marokko maar het is hier ok; ik heb een goede band met mijn buren en mijn vriendinnen wonen dichtbij’ (Maja, 15 jaar, Sint-Gillis). “Ik voel me hier echt thuis.” (Daphne, 20 jaar, Sint-Gillis). “Voor mij is de buurt als familie. Ik woon hier al mijn hele leven, ik ken iedereen en iedereen kent mij. Het is warm en gastvrij. Al mijn herinneringen zijn hier – jeugdhuizen, parken, mensen, activiteiten.” (Farah, 21 jaar, Sint-Gillis). De hartelijkheid van de buurt vinden jongeren ook terug in de stedelijke diversiteit en de veelheid aan perspectieven. “Ze zeggen dat diversiteit een zwakte is, maar eigenlijk is het een kracht.”– Leo, 17 jaar, Sint-Gillis. Jongeren waarderen de warmte en gastvrijheid van de diverse gemeenschap, de levendigheid, de verscheidenheid aan winkels en de feestelijke sfeer – vooral tijdens periodes als de ramadan of bij lokale straatfeesten.
De buurt is een deel van de identiteit van jongeren geworden. De vele verwijzingen hiernaar doorheen de verschillende interviews maakt dit duidelijk. Jongeren beschouwen het als hun “2de thuis naast mijn eigen huis” (Alina, 17 jaar, Vorst), waar ze zich “echt thuis” voelen (Daphne, 20 jaar, Sint-Gillis). Sommige jongeren kunnen zich ook geen betere plek voorstellen: “Voor mij is deze buurt echt wel hét. Ik wil hier heel mijn leven wonen. Ik hou van de mensen, ik hou van de sfeer. Ja, ik hou echt van Vorst” (Inaya, 21 jaar, Vorst). Of nog: “ik houd van mijn buurt, hier is altijd wel iets te doen” (Hamza, 15 jaar, Vorst).
Een van de centrale thema’s waar jongeren het over hebben is de ruimte (zowel fysieke als mentaal) die ze hebben en krijgen om plezier te hebben, vrij te zijn, zich te ontwikkelen, ontplooien en tonen: de ruimte die er is om jong te zijn in hun onmiddellijke leefomgeving. Een belangrijk aandeel van hen is op zoek naar meer toegankelijke plaatsen in hun buurt. Enerzijds wordt er hierbij verwezen naar plekken die niet altijd toegankelijk zijn voor jongeren of simpelweg afwezig zijn. Anderzijds gaat het ook om mentale ruimte, het gevoel hebben te mogen bestaan, vrij te kunnen spelen en bewegen: “vroeger als ik naar buiten ging mocht ik enkel op specifieke plaatsen spelen of mijn oudere broer moest erbij zijn” (Farah, 21 jaar, Sint-Gillis). Of nog volgens een andere jongere; “Ik denk dat heel veel gemaakt is voor bars en drinken en dat er niet zoveel initiatieven zijn voor jongeren, die het leven hier wat interessanter maken” (Levi, 21 jaar, Sint-Gillis).
De publieke ruimtes in de buurt vormen niet te onderschatten ankers van verbondenheid. Parken en groene plekken spelen een centrale rol in het leven van de geïnterviewde jongeren. Het zijn plaatsen waar jeugdherinneringen zijn ontstaan – spelend, ontmoetend, rust vindend in de natuur. “Er is een groot open veld bij mijn huis. Vroeger ging ik er elk weekend heen met mijn vader en neven. Ik ga er nog steeds wandelen of gewoon buiten zijn.” (Amira, 16 jaar, Sint-Gillis).
Naast de positieve ervaringen over de buurt, geven toch ook heel wat jongeren aan geconfronteerd te worden met de ‘clichés’ die op hen en de stad bestaan: “We horen niet vaak positieve zaken over jongeren en al helemaal niet over jongeren met een migratieachtergrond” (Yousra, 19 jaar, Vorst). Jong zijn is op zichzelf al een complexe levensfase – vaak gekenmerkt door spanningen rond het vinden van je plaats. Veel jongeren voelen zich belast door de stereotypen die op hen worden geprojecteerd – op straat, in de media en online. “We horen zelden iets positiefs over jongeren, zeker niet over jongeren met een migratieachtergrond.” (Yousra, 19 jaar, Vorst). Jongeren met migratieachtergrond hebben het gevoel dat ze vooral in de eerste plaats moeten inpassen in de bestaande normen en waarden en weinig plaats krijgen om zichzelf te ontplooien. Het is dan ook een uitdaging om jongere te zijn in de stad en te ervaren dat je er volwaardig bij hoort. Hierbij verwijst een heel klein aantal respondenten ook naar de rol van de politie in het zich welkom en thuis voelen in de buurt: “het contact met de politie is niet altijd gemakkelijk, sommigen onder hen zijn echt racistisch. We hebben meer chill plekken nodig. We gaan nu naar vrienden of chillen in een auto. Maar soms komt de politie dan en ze denken dat we iets doen. Ge kunt niet op je gemak zijn, we kunnen niet luid zijn of we voelen ons bekeken”. (Emir, 17 jaar, Vorst).
“Hebben we de moed om kinderen en jongeren toe te laten in de publieke ruimte zodat zij echt de stad mee bouwen?“
Besluit
Hannah Arendt stelt dat “het gezamenlijk leven in de wereld in wezen betekent dat er zich tussen hen die haar bewonen een wereld van dingen bevindt, zoals een tafel zich bevindt tussen degenen die eraan plaatsnemen; als door elk ander intermediair worden mensen door de wereld tegelijkertijd verbonden en gescheiden.” Ook de stad bevindt zich tussen mensen. Een plek waar verhalen de ruimte kleuren, maar de ruimte ook de verhalen. De stad kan zorgen voor verbinding, maar ook voor onderscheid.

Samen leven in de stad gaat daarom niet enkel over het uitspreken en optellen van wensen en verlangens, maar over het transformeren van individuele wensen en verlangens tot een gezamenlijk verhaal, tot een collectieve stadservaring. Het betekent de stad en publieke ruimte, doorheen verscheidenheid en diversiteit samen gemaakt kan worden. Toegang tot vormen van relatie waarin meningsverschil, ongelijkheid, niet-identiteit en het niet-identificeerbare worden getolereerd, is de weg naar deelname aan het collectieve. Het gaat dus niet alleen om het in kaart brengen van kinder- en jongerenperspectieven of het horen van hun stemmen. Het gaat er ook om deze perspectieven – op gelijke voet – in dialoog te brengen met andere, volwassen stemmen.
De publieke ruimte, als kernvoorbeeld van de gedeelde stad en plekken waar kinderen en jongeren zich thuis kunnen voelen, is altijd een ruimte waar elk perspectief op de wereld welkom moet zijn – anders is ze niet langer ‘publiek’. In die zin nodigt de publieke ruimte ons uit om ons eigen denken en oordelen te verruimen. Vanuit dit perspectief op de publieke ruimte kan het besef groeien dat de wereld die voor ons van betekenis is, slechts kan blijven bestaan wanneer we volledig erkennen dat die ook verschijnt aan, en ertoe doet voor, al die anderen die er eveneens aan plaatsnemen. Meerstemmigheid betekent hier niet enkel het horen en samenbrengen van de stemmen van deelnemers; het gaat om het creëren van een meerstemmig verhaal.
Hebben we de moed om kinderen en jongeren toe te laten in de publieke ruimte zodat zij echt de stad mee bouwen? Durven we gaan voor een meerstemmige ruimte, met aandacht voor gelijkwaardigheid, overeenkomsten en verschillen? Ambiëren we een ruimte waar kinderen en jongeren mogen bestaan in volle betekenis van mens, waar ze volwaardig burger kunnen zijn? Als je het aan kinderen en jongeren vraagt, dan is het antwoord alvast volmondig ‘ja!’.
Literatuurselectie
Verhaeghe, K. (2025). Kinderenstemmen aan nieuwe tafels: een intergenerationeel en meerstemmig (weer)‘woord’ op morgen. In De Bruin, A. (red). Het recht op de dag van vandaag. Een grond recht voor ieder kind. (pp. 93-110). SWP uitgeverij: Amsterdam.
Hultgren, F. & Johansson, B. (2018). including babies and toddlers: a new model of participation. children’s geographies, 1-13.
Korczak, J. (1999/1985). Hoe houd je van een kind? Het recht van jongeren op respect in de opvoedkundige situatie. Utrecht: Bijleveld.
Sousa, D. & Moss, P. (2024). from anger to dreaming to real utopias: re-thinking, re-conceptualising and re-forming (early childhood) education in the conditions of the times. global studies of childhood, 0 (00), 1-14.
Pieter Meurs (pieter.meurs@ehb.be) behaalde een master in de Agogische Wetenschappen (VUB), en een master en een doctoraat in de Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen (VUB). Momenteel is hij docent bij het departement Sociaal Werk bij de Erasmushogeschool Brussel en aan de opleiding Agogische Wetenschappen van de Vrije Universiteit Brussel. In zijn onderzoek richt hij zich op de filosofie van educatie en op de brede sector van het jeugdwerk. Kaat Verhaeghe (kaat.verhaeghe@ehb.be) is opleidingshoofd van de bachelor pedagogie van het jonge kind bij Erasmushogeschool Brussel. Als onderzoeker verbonden aan het Research Centre for Social & Spatial Justice, onderzoekt ze samen met jonge kinderen de sociaal-ruimtelijke rechtvaardigheid van de publieke ruimte en de ethische aspecten van participatie (kinderrechten). Minne Huysmans is onderzoeker aan het Research Centre for Social and Spatial Justice en lector in de opleiding Sociaal Werk aan Erasmushogeschool Brussel. Hij specialiseert zich in stedelijkheid, jeugd en veerkracht, met een sterke focus op participatieve onderzoeksmethoden op gemeenschapsniveau. Minne werkte eerder bij Odisee en de VUB, en combineert onderzoek met engagement in diverse Brusselse organisaties. Hij behaalde een bachelor Sociaal Werk en een master én doctoraat in de Educatieve Wetenschappen. Sanne Caluwaerts (sanne.caluwaerts@ehb.be) is lector binnen de opleiding PBa Pedagogie van het jonge kind aan Erasmushogeschool Brussel. Samen met studenten verkent zij het begrip ‘rechtvaardigheid’ als een relationeel weefsel tussen kind, opvoeders in brede zin en maatschappij, in het spanningsveld van een grootstedelijke context.
